Mijn hoofd zit vol. Honderden woorden vinden hun weg in mijn brein maar vinden geen structuur. Ze buitelen over elkaar en vechten met elkaar om voorrang. Gedachten vechten om de eerste plaats te verkrijgen. Er zit zoveel in mijn hoofd maar er komt niets uit. Mijn vingers liggen bewegingloos op het toetsenbord, te wachten op dat ene moment. Dat ene moment waarop de woorden structuur vinden en netjes in een rij gaan staan. Dat ene moment waarop de woorden betekenis krijgen en samen een zinsverband vormen. Tientallen stukjes heb ik gelezen, in me opgenomen. Een handjevol definities heb ik aan me voorbij laten gaan, maar geen ervan heeft geholpen. Telkens weer ben ik opnieuw begonnen. Een zin stond op papier, fraai gevormd met mooie woorden. Maar het gaf niet weer wat er in mijn hoofd zat. Een nieuwe zin stond op papier, mooi geschreven, taalkundig uitstekend. Maar het waren niet mijn gedachten.
Totdat ik erbij stil ging staan wat het nou eigenlijk inhoudt. Is het een helder moment in het midden van de nacht? Is het iets kleins dat je ziet, iets wat je opvalt, iets bijzonders? Is het een moment uit een film, is het een liedje? Is er een fluitje dat ervoor zorgt dat de woorden netjes in een rij gaan staan? Er is geen specifieke definitie te noemen. Van Dale noemt het bezieling, maar wat is bezieling? In gesprek probeerde ik uit te leggen wat mijn mogelijke definitie was. Met het moment dat ik het ging definiëren, was het er. Dat ene moment. Het moment waarop de woorden in mijn hoofd betekenis kregen en structuur vonden. Het moment waarop de gedachten en woorden in mijn hoofd een relatie kregen met de werkelijkheid. Er was een connectie. En met die connectie was het er. Het moment van inspiratie.
Totaal aantal pageviews
woensdag 31 maart 2010
woensdag 24 maart 2010
Tussen
Verdwaald
tussen huis en thuis
zoek ik
naar wat er slingert.
Mijn kamer
wacht op me
en ik zit hier
in de leegte
van een kamer
welke ooit de mijne was.
tussen huis en thuis
zoek ik
naar wat er slingert.
Mijn kamer
wacht op me
en ik zit hier
in de leegte
van een kamer
welke ooit de mijne was.
dinsdag 23 maart 2010
niet altijd
alles moet altijd leuk
de zon moet schijnen en deuren openen vanzelf en dat mensen denken dat ze weet wat ze doet
glinsterende ogen en haar haren die glanzen
vertederend als ze met haar hoofd op je knie leunt en onder de indruk omdat ze weet waar ze over praat
niet altijd - dacht ze terwijl ze in de regen liep
en er viel iets van haar af en ze pakte Zijn hand
de zon moet schijnen en deuren openen vanzelf en dat mensen denken dat ze weet wat ze doet
glinsterende ogen en haar haren die glanzen
vertederend als ze met haar hoofd op je knie leunt en onder de indruk omdat ze weet waar ze over praat
niet altijd - dacht ze terwijl ze in de regen liep
en er viel iets van haar af en ze pakte Zijn hand
vrijdag 19 maart 2010
De lente
Langzaam doe ik mijn ogen open. Ik verwacht licht, maar om me heen is het donker. De wereld om me heen is pikzwart. Een ogenblik staar ik voor me uit, in het niets. Mijn gedachten zijn leeg. Plotseling hoor ik iets. Dwars door al het donker heen hoor ik buiten vogeltjes fluiten. Vrolijk. Ze storen zich niet aan de nacht. Ik luister, ik geniet. En langzaam droom ik weer weg op de melodie van de vogels.
Langzaam doe ik mijn ogen open. Om mij heen is het licht, de zon schijnt zachtjes naar binnen. Ik hoor het verkeer buiten razen, maar dwars door deze herrie heen hoor ik de vogeltjes fluiten. Het wordt weer warmer, de zon schijnt, de dagen worden langer. Er beginnen fleurige bloemen te groeien langs de kant van de weg. De wereld lijkt weer tot leven te komen. Mensen gaan weer naar buiten, wandelen, fietsen. Kinderen spelen op de grasvelden. De terrasjes stromen vol, studenten komen vroeger uit bed. Mannen werken in de tuin. Iedereen lacht. Alles lijkt net een stukje beter.
Met deze lente kom ook ik weer tot leven. De dagen beginnen weer met een glimlach. Het raam staat wagenwijd open. Ik fluit, ik zing, ik lach. Mijn blik wordt breder, ik heb weer oog voor detail. Ik geniet van de wereld om me heen. Ik leef weer.
En met de lente is ook de inspiratie teruggekeerd. Mijn gedachten en mijn blik zijn vernieuwd, de inspiratie is herboren. Ik schrijf, ik leef, ik geniet.
Een droom die werkelijkheid wordt.
Langzaam doe ik mijn ogen open. Om mij heen is het licht, de zon schijnt zachtjes naar binnen. Ik hoor het verkeer buiten razen, maar dwars door deze herrie heen hoor ik de vogeltjes fluiten. Het wordt weer warmer, de zon schijnt, de dagen worden langer. Er beginnen fleurige bloemen te groeien langs de kant van de weg. De wereld lijkt weer tot leven te komen. Mensen gaan weer naar buiten, wandelen, fietsen. Kinderen spelen op de grasvelden. De terrasjes stromen vol, studenten komen vroeger uit bed. Mannen werken in de tuin. Iedereen lacht. Alles lijkt net een stukje beter.
Met deze lente kom ook ik weer tot leven. De dagen beginnen weer met een glimlach. Het raam staat wagenwijd open. Ik fluit, ik zing, ik lach. Mijn blik wordt breder, ik heb weer oog voor detail. Ik geniet van de wereld om me heen. Ik leef weer.
En met de lente is ook de inspiratie teruggekeerd. Mijn gedachten en mijn blik zijn vernieuwd, de inspiratie is herboren. Ik schrijf, ik leef, ik geniet.
Een droom die werkelijkheid wordt.
woensdag 17 maart 2010
vanmorgen
ik zit hier
in een bijna-lege school
en er zijn middelbare scholieren
studenten die werken
ze bestaan
morgen de pws-presentatie
leven met een open rug heet het
en ik ben trots
in een bijna-lege school
en er zijn middelbare scholieren
studenten die werken
ze bestaan
morgen de pws-presentatie
leven met een open rug heet het
en ik ben trots
zondag 14 maart 2010
pasen
Toch apart,
dat de hele wereld eitjes koopt
en paashazen,
dat er idioten in zachte hazenpakken door de straten lopen,
dat mensen straks gezellig gaan ontbijten,
en allemaal andere leuke dingen gaan doen...
maar er helemaal niet bij stilstaan
dat Pasen zoveel meer is dan dat!
Het is een feest van waarheid,
van verlossing,
van het Offer voor ons.
Hij dacht aan ons,
maar wij,
wij hadden het te druk met paaseitjes...
Te druk om ook aan Hem te denken.
En stil te staan,
bij wat Hij heeft gedaan...
Hij!
voor mij...
door mij...
Genade.
Zijn genade is ook voor jou! Denk daar maar even aan als je paaseitjes koopt, overweegt om in een hazenpak te gaan lopen of van plan bent om op 4 april uit te slapen, met de hele familie gezellig te gaan ontbijten, brunchen of lunchen en op die manier vergeet stil te staan bij wat Jezus deed! Ook voor jou!
dat de hele wereld eitjes koopt
en paashazen,
dat er idioten in zachte hazenpakken door de straten lopen,
dat mensen straks gezellig gaan ontbijten,
en allemaal andere leuke dingen gaan doen...
maar er helemaal niet bij stilstaan
dat Pasen zoveel meer is dan dat!
Het is een feest van waarheid,
van verlossing,
van het Offer voor ons.
Hij dacht aan ons,
maar wij,
wij hadden het te druk met paaseitjes...
Te druk om ook aan Hem te denken.
En stil te staan,
bij wat Hij heeft gedaan...
Hij!
voor mij...
door mij...
Genade.
Zijn genade is ook voor jou! Denk daar maar even aan als je paaseitjes koopt, overweegt om in een hazenpak te gaan lopen of van plan bent om op 4 april uit te slapen, met de hele familie gezellig te gaan ontbijten, brunchen of lunchen en op die manier vergeet stil te staan bij wat Jezus deed! Ook voor jou!
dinsdag 9 maart 2010
Ik had niet door
God Vader..
Ik had niet door
dat ik mijzelf overstemde
om Uw bewijs schreeuwde
en in blindheid riep
hoewel ikzelf het bewijs ben
dat U mij schiep
God Vader..
Ik had niet door
dat ik U overstemde
bleef roepen zonder U te willen zien
alleen maar stilstond bij mijn eigen pijn
zonder te begrijpen
dat ik in stilte bij U had kunnen zijn
God Vader..
Nu wil ik roepen
zonder mijn mond te openen
zonder mijn ogen te sluiten voor U
U laat ik vrij
breng dan toch
de stilte van Uw Vaderhart in mij
Ik had niet door
dat ik mijzelf overstemde
om Uw bewijs schreeuwde
en in blindheid riep
hoewel ikzelf het bewijs ben
dat U mij schiep
God Vader..
Ik had niet door
dat ik U overstemde
bleef roepen zonder U te willen zien
alleen maar stilstond bij mijn eigen pijn
zonder te begrijpen
dat ik in stilte bij U had kunnen zijn
God Vader..
Nu wil ik roepen
zonder mijn mond te openen
zonder mijn ogen te sluiten voor U
U laat ik vrij
breng dan toch
de stilte van Uw Vaderhart in mij
maandag 8 maart 2010
just a ray of sunshine
Het is alsof het jarenlang winter is geweest. Alsof ik mezelf jarenlang binnen opgesloten heb omdat het buiten te koud was. het lijkt alsof ik oneindig lang naar buiten heb gestaard in de hoop dat alles op een dag zou veranderen. In de hoop dat het lichter zou worden, ik weer naar buiten zou willen en ik me weer zou kunnen hullen in die warme stralen van de zon. Het is alsof ik jarenlang heimwee heb gehad naar die tijd waar ik nog wel íets van afwist maar die me niet veel meer zei. Een tijd dat de glimlach op mijn gezicht niet wegging. Het is alsof het jarenlang winter is geweest.
En nu, plotseling is voor mij de zomer aangebroken. Geen overgangsperiode zoals de lente, maar plotseling heb ik me kunnen baden in de warme stralen van de zon. Alles waar ik al die jaren naar uit heb gezien was opeens realiteit. Geen winter, geen kou maar volop zon en fluitende vogeltjes. En ik geniet ervan. Ik geniet met volle teugen. Ik vang elke zonnestraal die ik vangen kan, ik neem alles op en bewaar het.
Maar soms ben ik bang. Bang dat het allemaal maar een droom was. Bang dat ik teveel heb gedroomd, dat het niet waar kan zijn. Dat de zonnestralen niet voor mij bedoeld zijn. Dat de zomer maar van korte duur was en dat er binnenkort een wolkje voor de zon zal komen die het allemaal weer wegneemt. Dat er een windvlaag zal nemen die alle warmte die de zon mij geeft weg zal nemen.
Want diep in mijn hart kan ik nog steeds niet geloven dat de zonnestralen er zijn en dat ze me verwarmen.
En nu, plotseling is voor mij de zomer aangebroken. Geen overgangsperiode zoals de lente, maar plotseling heb ik me kunnen baden in de warme stralen van de zon. Alles waar ik al die jaren naar uit heb gezien was opeens realiteit. Geen winter, geen kou maar volop zon en fluitende vogeltjes. En ik geniet ervan. Ik geniet met volle teugen. Ik vang elke zonnestraal die ik vangen kan, ik neem alles op en bewaar het.
Maar soms ben ik bang. Bang dat het allemaal maar een droom was. Bang dat ik teveel heb gedroomd, dat het niet waar kan zijn. Dat de zonnestralen niet voor mij bedoeld zijn. Dat de zomer maar van korte duur was en dat er binnenkort een wolkje voor de zon zal komen die het allemaal weer wegneemt. Dat er een windvlaag zal nemen die alle warmte die de zon mij geeft weg zal nemen.
Want diep in mijn hart kan ik nog steeds niet geloven dat de zonnestralen er zijn en dat ze me verwarmen.
zaterdag 6 maart 2010
sprookje
In een land hier ver vandaan, waar de bergen glinsteren in Gods ogen en de schaduw meegedragen wordt op de handen van de engelen. In dat land, waar beekjes klateren over Gods liefde en de bomen Zijn naam fluisteren, zwierf een geheim. Vergeten dat zij ooit geweest was, zwierf zij rond. Takken prikten in haar voeten, ze bloedde – maar voelde niets. Haar adem verspreidde zich door de koude lucht en lieten kleine kristallen achter op de bladeren die zij raakte. Ze stond niet stil, haar voeten stapten haastig voort. Haar benen waren bedekt met modder, bladeren en kleine takjes. Ze veegde ze niet af, haar handen had ze voor zich uit gestrekt. Kleine druppels dauw hingen aan haar vingertoppen, ze waren vermengd met het grond van de aarde. Wanhopig zocht ze haar weg. Haar jurk was vermengd met de kleuren van de paden waarop zij liep. Het donker van het bos op haar benen, het groen van de wijde lag op haar jurk, en de kleur van de hemel scheen in haar ogen. Haar gezicht was gehavend; niemand wilde haar laten zien, maar iedereen wilde haar bekijken.
Ze was een geheim, giftig voor hen die haar aanraakte.
Haar geboortedag, vervloekt door haar vader en moeder. Zij had er niet mogen zijn, ze had nooit adem mogen halen en haar ogen verwonderd mogen opslaan naar de wereld. Haar ouders besloten haar nooit kennis te laten maken met de wereld. Ze stopten haar weg, legden haar onder hun bed waar ze haar probeerden te vergeten. Maar geheimen zoals zij, worden niet vergeten.
Stiekem, toen haar moeder niet keek, kroop ze onder het bed vandaan en rende de wereld in. Haar vader zag haar gaan en fluisterde: ‘Ga niet ver.’
Wanhopig als haar ogen stonden liepen haar voeten en voelden haar vingers aan de nieuwe grote wereld. Haar hart schreeuwde om de dood, maar haar ouders lieten haar leven. Ze klopten op de deuren van huizen waar licht naar buiten stroomde, maar niemand wilde open doen. Niemand gaf haar een deken en verloste haar. Zij was een vergissing, een keuze die niet gemaakt had mogen worden. Wanneer de wereld haar oren open deed en haar vonden op de deur posten, spogen ze op haar en brachten haar naar het eerste beste huis dat zij vinden konden. Bij elke nieuwe kennismaking vervloog de hoop dat zij ooit haar rust zou vinden. Ruw werd ze in de kast geduwd, naast de andere stilzwijgenden. Niemand gaf haar te eten, maar zij schreeuwde totdat haar adem stokte. Wanhopig als zij was, ze was vastberaden om haar hoofd ten ruste te leggen. Haar vuisten sloegen tegen de deuren, totdat zij braken en haar handen de deurklink probeerden vast te pakken. Dan was het genoeg voor de wereld, en werd ze doorgestuurd naar een nieuw onderkomen, waar zij opnieuw werd opgesloten. Ze huilde zichzelf inslaap wiegend op de wetenschap dat ze ooit op Gods schoot zou mogen liggen.
Op een dag – toen God Zijn toestemming gaf – sloeg zij weer tegen de deur en de deur werd geopend.
Ze rende naar buiten, schichtig om haar heen kijkend. Ze hield armen voor zich uit, opzoek naar de dood. Takken prikten in haar voeten, ze bloedde – maar voelde niets. Kleinen druppels dauw hingen aan haar vingertoppen terwijl zij wanhopig haar weg vervolgde. Waar moest zij heen, wat moest zij vertellen? De wind liet haar sneller lopen, takken zweepten haar op. Sneller moesten haar voeten rennen, sneller - sneller.
Ze hield haar oren stijf dicht, niets wilde zij horen. Ze hield haar adem in haar longen, bang dat zij zou struikelen. Het bos laat zijn schaduw over haar vallen, de weide beschut haar niet.
Als dan. .
Ze struikelt en valt op de harde stenen. Haar knieen zijn geschaaft en haar armen doen pijn. Ze heft haar hoofd en haar hart springt op. Daar in de verte, bij het rood van de ochtendzon, ziet zij een huis en de deuren zijn geopend. De ramen glinsteren en ze ruikt de geur van versgebakken brood. Stilletjes laat ze haar voeten voorgaan, haar handen tintelen. In de deurpost kijkt ze voorzichtig om het hoekje. Rozen bloeien op de donkere eettafel. Een vuur brand in de openhaard.
Vermoeid van haar reis laat ze zich vallen in een stoel die dicht bij de haard staat. Ze sluit haar ogen en geniet van het knapperen van het vuur. Ze dommelt weg, maar haar hart blijft razendsnel kloppen. Haar vingers trillen in haar schoot en vangen de druppels van haar wensen op.
Een hand wordt op haar schouders gelegd, haar adem ontsnapt aan haar longen. Ze zucht en sluit haar ogen. De hand streelt over haar wangen en haalt haar vochtige haar uit haar gezicht. Het vuur wordt opgestookt en een bed wordt opgemaakt. De hand neemt haar handen en brengen haar naar de bedrand. Ze hoort het knisperen van de dekens en voelt het zacht van de kussen als zij haar hoofd neerlegt.
Liefelijk wordt ze toegestopt, de warmte verspreid zich over haar lichaam. Ze ademt diep, terwijl haar hart stopt met kloppen. Haar vingers trillen niet meer, haar ogen zijn gestopt met huilen. Haar voeten zijn ontspannen, haar stem is gestopt met schreeuwen.
In een land hier heel dichtbij, waar de bergen glinsteren in Gods ogen en de schaduw meegedragen wordt op de handen van de engelen. In dat land, waar beekjes klateren over Gods liefde en de bomen Zijn naam fluisteren, zwierf een geheim..
En zij vond verlossing.
Ze was een geheim, giftig voor hen die haar aanraakte.
Haar geboortedag, vervloekt door haar vader en moeder. Zij had er niet mogen zijn, ze had nooit adem mogen halen en haar ogen verwonderd mogen opslaan naar de wereld. Haar ouders besloten haar nooit kennis te laten maken met de wereld. Ze stopten haar weg, legden haar onder hun bed waar ze haar probeerden te vergeten. Maar geheimen zoals zij, worden niet vergeten.
Stiekem, toen haar moeder niet keek, kroop ze onder het bed vandaan en rende de wereld in. Haar vader zag haar gaan en fluisterde: ‘Ga niet ver.’
Wanhopig als haar ogen stonden liepen haar voeten en voelden haar vingers aan de nieuwe grote wereld. Haar hart schreeuwde om de dood, maar haar ouders lieten haar leven. Ze klopten op de deuren van huizen waar licht naar buiten stroomde, maar niemand wilde open doen. Niemand gaf haar een deken en verloste haar. Zij was een vergissing, een keuze die niet gemaakt had mogen worden. Wanneer de wereld haar oren open deed en haar vonden op de deur posten, spogen ze op haar en brachten haar naar het eerste beste huis dat zij vinden konden. Bij elke nieuwe kennismaking vervloog de hoop dat zij ooit haar rust zou vinden. Ruw werd ze in de kast geduwd, naast de andere stilzwijgenden. Niemand gaf haar te eten, maar zij schreeuwde totdat haar adem stokte. Wanhopig als zij was, ze was vastberaden om haar hoofd ten ruste te leggen. Haar vuisten sloegen tegen de deuren, totdat zij braken en haar handen de deurklink probeerden vast te pakken. Dan was het genoeg voor de wereld, en werd ze doorgestuurd naar een nieuw onderkomen, waar zij opnieuw werd opgesloten. Ze huilde zichzelf inslaap wiegend op de wetenschap dat ze ooit op Gods schoot zou mogen liggen.
Op een dag – toen God Zijn toestemming gaf – sloeg zij weer tegen de deur en de deur werd geopend.
Ze rende naar buiten, schichtig om haar heen kijkend. Ze hield armen voor zich uit, opzoek naar de dood. Takken prikten in haar voeten, ze bloedde – maar voelde niets. Kleinen druppels dauw hingen aan haar vingertoppen terwijl zij wanhopig haar weg vervolgde. Waar moest zij heen, wat moest zij vertellen? De wind liet haar sneller lopen, takken zweepten haar op. Sneller moesten haar voeten rennen, sneller - sneller.
Ze hield haar oren stijf dicht, niets wilde zij horen. Ze hield haar adem in haar longen, bang dat zij zou struikelen. Het bos laat zijn schaduw over haar vallen, de weide beschut haar niet.
Als dan. .
Ze struikelt en valt op de harde stenen. Haar knieen zijn geschaaft en haar armen doen pijn. Ze heft haar hoofd en haar hart springt op. Daar in de verte, bij het rood van de ochtendzon, ziet zij een huis en de deuren zijn geopend. De ramen glinsteren en ze ruikt de geur van versgebakken brood. Stilletjes laat ze haar voeten voorgaan, haar handen tintelen. In de deurpost kijkt ze voorzichtig om het hoekje. Rozen bloeien op de donkere eettafel. Een vuur brand in de openhaard.
Vermoeid van haar reis laat ze zich vallen in een stoel die dicht bij de haard staat. Ze sluit haar ogen en geniet van het knapperen van het vuur. Ze dommelt weg, maar haar hart blijft razendsnel kloppen. Haar vingers trillen in haar schoot en vangen de druppels van haar wensen op.
Een hand wordt op haar schouders gelegd, haar adem ontsnapt aan haar longen. Ze zucht en sluit haar ogen. De hand streelt over haar wangen en haalt haar vochtige haar uit haar gezicht. Het vuur wordt opgestookt en een bed wordt opgemaakt. De hand neemt haar handen en brengen haar naar de bedrand. Ze hoort het knisperen van de dekens en voelt het zacht van de kussen als zij haar hoofd neerlegt.
Liefelijk wordt ze toegestopt, de warmte verspreid zich over haar lichaam. Ze ademt diep, terwijl haar hart stopt met kloppen. Haar vingers trillen niet meer, haar ogen zijn gestopt met huilen. Haar voeten zijn ontspannen, haar stem is gestopt met schreeuwen.
In een land hier heel dichtbij, waar de bergen glinsteren in Gods ogen en de schaduw meegedragen wordt op de handen van de engelen. In dat land, waar beekjes klateren over Gods liefde en de bomen Zijn naam fluisteren, zwierf een geheim..
En zij vond verlossing.
Abonneren op:
Posts (Atom)