Ik heb mijn hoop gevestigd
op God de Heer die hoort.
Mijn hart, hoezeer onrustig,
wacht zijn verlossend woord.
Nog meer dan in de nachten
wachters het morgenlicht,
blijf ik, o Heer, verwachten
Uw lichtend aangezicht.
Psalm 130:3 (berijming van 1973)
Totaal aantal pageviews
zondag 25 november 2012
zondag 18 november 2012
Als je jong bent, geloof je alles:
Van spinazie krijg je spierballen,
je vader is de sterkst man van Nederland,
en sinterklaas bestaat
Maar er komt een dag, dat je nog eens goed naar de Goedheiligman kijkt en denkt:
'wacht eens, dat zijn de schoenen van mijn vader!'
Je vermoede al zoiets, maar nu drinkt het pas echt tot je door
Het is onzin om te geloven dat er in Spanje een man is die met een lange witte baard rondloopt en 1 keer per jaar de stoomboot pakt om bij jou iets in je schoen te komen brengen.
En nog zoiets:
Van spinazie krijg je geen spierballen,
Nederland word nooit wereldkampioen
en je trouwt niet met de juf.
Zo word je ouder, en steeds ongelukkiger.
De enige momenten waarop je je weer even voelt als toen, zijn de momenten waarop je van iemand houd.
Écht van iemand houd
Dan valt alles wat stom is of pijn doet even weg
Liefde is alles!
En daar moet in blijven geloven.
Dus wat nou, als we gewoon met z’n allen besluiten: 'Sinterklaas bestaat!'
dan weten we heus wel dat we die cadeautjes nog steeds zelf moeten kopen.
Maar het gaat meer om het idee.
Dat we blijven geloven dat het nog altijd goed kan komen.
Met ons,
met de liefde,
Want liefde is als sinterklaas,
je moet er in geloven, anders word het niks!
Van spinazie krijg je spierballen,
je vader is de sterkst man van Nederland,
en sinterklaas bestaat
Maar er komt een dag, dat je nog eens goed naar de Goedheiligman kijkt en denkt:
'wacht eens, dat zijn de schoenen van mijn vader!'
Je vermoede al zoiets, maar nu drinkt het pas echt tot je door
Het is onzin om te geloven dat er in Spanje een man is die met een lange witte baard rondloopt en 1 keer per jaar de stoomboot pakt om bij jou iets in je schoen te komen brengen.
En nog zoiets:
Van spinazie krijg je geen spierballen,
Nederland word nooit wereldkampioen
en je trouwt niet met de juf.
Zo word je ouder, en steeds ongelukkiger.
De enige momenten waarop je je weer even voelt als toen, zijn de momenten waarop je van iemand houd.
Écht van iemand houd
Dan valt alles wat stom is of pijn doet even weg
Liefde is alles!
En daar moet in blijven geloven.
Dus wat nou, als we gewoon met z’n allen besluiten: 'Sinterklaas bestaat!'
dan weten we heus wel dat we die cadeautjes nog steeds zelf moeten kopen.
Maar het gaat meer om het idee.
Dat we blijven geloven dat het nog altijd goed kan komen.
Met ons,
met de liefde,
Want liefde is als sinterklaas,
je moet er in geloven, anders word het niks!
zondag 21 oktober 2012
schuldbewuste peuter
Mooie woorden schieten door mijn hoofd. Woorden van spijt en ontroering.
Er is zoveel dat ik wil zeggen, schreeuwen zelfs.
De woorden krijgen geen vorm in zinnen, het zijn losse flarden van een verhaal.
Nee, geen verhaal.
Ik vraag mij af of een gebed dat niet echt uitgesproken is ook telt?
Denk ik dit om iets te verbergen? Wat als God alleen eerlijkheid verwacht?
Kak, ik denk mijzelf in de nesten want ik weet het antwoord toch wel.
Het zijn hopeloze pogingen om God te ontwijken.
Uitgeput stop ik na een uur of twee met tobben.
Het dringt door dat ik vecht met mijn eigen gedachten.
Ik zal nooit winnen, mijn gedachten zijn onoverwinnelijk.
Als een schuldbewuste peuter buig ik mijn hoofd en zeg: ‘sorry papa.’
Het lijkt alsof ik een aai over mijn bol krijg, alles is weer goed.
Er is zoveel dat ik wil zeggen, schreeuwen zelfs.
De woorden krijgen geen vorm in zinnen, het zijn losse flarden van een verhaal.
Nee, geen verhaal.
Ik vraag mij af of een gebed dat niet echt uitgesproken is ook telt?
Denk ik dit om iets te verbergen? Wat als God alleen eerlijkheid verwacht?
Kak, ik denk mijzelf in de nesten want ik weet het antwoord toch wel.
Het zijn hopeloze pogingen om God te ontwijken.
Uitgeput stop ik na een uur of twee met tobben.
Het dringt door dat ik vecht met mijn eigen gedachten.
Ik zal nooit winnen, mijn gedachten zijn onoverwinnelijk.
Als een schuldbewuste peuter buig ik mijn hoofd en zeg: ‘sorry papa.’
Het lijkt alsof ik een aai over mijn bol krijg, alles is weer goed.
zondag 30 september 2012
De ogen naar voren,
je rug niet gebogen.
Krachtige stappen,
een keuze genomen.
De hoop niet verloren,
de handen naar boven.
Tijd gaat verder
dan adem en dromen.
Jij maakt een keus
en leeft bewust, voorgenomen.
Je haalt nog uit
om bij de eindstreep te komen.
Jouw hartslag staat stil,
je bent aangekomen.
je rug niet gebogen.
Krachtige stappen,
een keuze genomen.
De hoop niet verloren,
de handen naar boven.
Tijd gaat verder
dan adem en dromen.
Jij maakt een keus
en leeft bewust, voorgenomen.
Je haalt nog uit
om bij de eindstreep te komen.
Jouw hartslag staat stil,
je bent aangekomen.
donderdag 23 augustus 2012
Merci
Minutieus peuterde ze de papiertjes van de chocolaatjes, scheidde het gouden deel van het doorzichtige, lachte verbaasd om de afdruk van “merci” die achterbleef op het transparante plastiekje, en stalde de reepjes voor zich uit, bekeek ze even voor ze ze één voor één in tweeên brak en ze dan, door elkaar geschud, in een leeg soepbord deed.
Ze hield van verrassingen.
Ze hield van verrassingen.
donderdag 19 juli 2012
Ik ga naast een van de dames zitten. Ik schreeuw wat liefkozend in haar oor om contact te maken. We praten, ik probeer haar te verstaan. Het gaat moeilijk. Maar wat wel gaat, zijn haar handen. Haar handen krullen zich langzaam en stevig om mijn hand en arm heen. Als ze er in kon kruipen deed ze het. Maar het kon niet. Maar ze kroop naar binnen in mijn hart. Samen zaten we daar even. Ik keek naar haar, zij staarde wat. Maar zeker niet naar mij.
Ik kijk naar handen, haar handen die al zo veel hebben meegemaakt, haar aderen waar al zoveel bloed doorheen heeft gestroomd.Haar aderen die dik boven haar handen uitkomen, haar oudheid die er dik bovenop ligt.
Ze zegt: “Ik hoef niets te drinken hoor, ik heb geen dorst” Ik denk: “ik bood niets aan hoor” en zeg: “u hoeft niets te drinken hoor, als u niet wilt”.
Dan moet ik weg. Ik moet haar handen loslaten. Haar handen die zo vast om mij heen zitten. Ik zeg tegen haar: “Ik moet weer verder” ze hoort me. Maar ze begrijpt niet dat ze nog aan mij vast zit. Ik zeg nog een keer: “Ik moet weg, maar ik wil graag mijn handen terug” Ze kijkt naar haar handen in haar schoot en kijkt me aan en moet om zichzelf lachen. Ik denk dat ze even vergeten was dat ze me vast had.
Ik kijk naar handen, haar handen die al zo veel hebben meegemaakt, haar aderen waar al zoveel bloed doorheen heeft gestroomd.Haar aderen die dik boven haar handen uitkomen, haar oudheid die er dik bovenop ligt.
Ze zegt: “Ik hoef niets te drinken hoor, ik heb geen dorst” Ik denk: “ik bood niets aan hoor” en zeg: “u hoeft niets te drinken hoor, als u niet wilt”.
Dan moet ik weg. Ik moet haar handen loslaten. Haar handen die zo vast om mij heen zitten. Ik zeg tegen haar: “Ik moet weer verder” ze hoort me. Maar ze begrijpt niet dat ze nog aan mij vast zit. Ik zeg nog een keer: “Ik moet weg, maar ik wil graag mijn handen terug” Ze kijkt naar haar handen in haar schoot en kijkt me aan en moet om zichzelf lachen. Ik denk dat ze even vergeten was dat ze me vast had.
woensdag 18 juli 2012
de mooiste luchten straalden vanochtend boven mijn hoofd toen ik naar het werk fietste. de wind waaide in mijn gezicht, het tarwe bewoog alsof het de zee was met kabbelende golfjes. ik vraag me af waarom andere mensen dat niet zien, niet ook met hun hoofd zo hoog dat ze de straat niet zien -zoals ik- de wolken bewonderen. jammer. Ze missen zoveel..
maandag 16 juli 2012
Hij keek me aandachtig aan en nam zijn bril van zijn hoofd. Nadenkend kamde hij zijn grijze haren achter zijn linkeroor met de -eveneens linker- poot van zijn bril. Toen hij naar het scheen tevreden was met het resultaat, liet hij de bril met zijn hand langs zijn lichaam bungelen.
Ik vroeg me af wat hij op mijn woorden zou zeggen. Zijn koele grijze ogen die als brandpunten in zijn gegroefde huid lagen bestudeerden mijn gezicht nauwlettend. Ik stelde me voor hoe er in zijn hoofd talloze gedachten en herinneringen cirkelden. Alsof de gehele inhoud van zijn hoofd een spinnenweb was, waarop de spin rustig afwachtte totdat zijn omgeving werd getroffen door een vlieg, door een gebeurtenis. Als het moment daar was, zou hij zich naar zijn prooi begeven om deze vervolgens in te kapselen met een zijden draad. Een zijden draad, gesponnen uit zijn eigen lijf en van dezelfde stof als zijn web vol eerder ingekapselde gebeurtenissen.
Alles wat er om hem heen gebeurde, zag hij in het licht van zijn eigen ervaringen, van zijn eigen herinneringen, van zijn eigen gedachten. In het licht van het geheel aan voorvallen die in zijn reeds lange leven hadden plaatsgevonden. Nog nooit was het hem gelukt voorvallen niet op deze manier te benaderen. Hij kon simpelweg niet anders. Dit was wie hij was, dit was hoe hij omging met de wereld en anders kon hij niet.
Ik vroeg me af wat hij op mijn woorden zou zeggen. Zijn koele grijze ogen die als brandpunten in zijn gegroefde huid lagen bestudeerden mijn gezicht nauwlettend. Ik stelde me voor hoe er in zijn hoofd talloze gedachten en herinneringen cirkelden. Alsof de gehele inhoud van zijn hoofd een spinnenweb was, waarop de spin rustig afwachtte totdat zijn omgeving werd getroffen door een vlieg, door een gebeurtenis. Als het moment daar was, zou hij zich naar zijn prooi begeven om deze vervolgens in te kapselen met een zijden draad. Een zijden draad, gesponnen uit zijn eigen lijf en van dezelfde stof als zijn web vol eerder ingekapselde gebeurtenissen.
Alles wat er om hem heen gebeurde, zag hij in het licht van zijn eigen ervaringen, van zijn eigen herinneringen, van zijn eigen gedachten. In het licht van het geheel aan voorvallen die in zijn reeds lange leven hadden plaatsgevonden. Nog nooit was het hem gelukt voorvallen niet op deze manier te benaderen. Hij kon simpelweg niet anders. Dit was wie hij was, dit was hoe hij omging met de wereld en anders kon hij niet.
zaterdag 14 juli 2012
'En ik bedacht me hoe gelukkig ik eigenlijk ben'
Hij was alleen. Met zijn achterkleindochter, dat wel. Hij moest even oppassen terwijl de moeder naar de supermarkt was, daarom was hij met haar alleen. Maar ze huilde. Hij wist daar geen raad mee. Zusters zijn van alle markten thuis. De kleine meid kwam bij me op schoot zitten. We deden kiekeboe. Niet echt het werk wat een zuster in een bejaardentehuis moet doen, maar wel leuk.
'Moet je vanavond nog naar de disco?' Ik schudde mijn hoofd. Wat moest ik daar zoeken? Je kan elkaar niet eens verstaan. Denk ik.
'Maar je hebt toch verkering?' Mijn chagrijnigheid maakte een beetje plaats voor een kleine glimlach. Ik knikte van ja, en vroeg me af hoe hij dat wist.
'Komt je liefje je zo ophalen?' Hij keek op zijn horloge en mompelde dat ik nog 10 minuten moest werken. Nee, geen taxi van de liefste van de hele wereld. Dat niet. Ik had mijn eigen vervoer. Maar dat woord 'liefje'. Daar had hij dan weer wel gelijk in.
'Ga je grassen vanavond?' Ik vroeg hem wat dat was. Tja, ik was van nu, 19 nog maar, hij bijna 91, dus wist ik daar niets van. Gewoon, op het gras zitten. Oude jas mee, of picknickkleed.
Ik moest lachen. 'Met dit weer ook?' En hij vertelde over zijn vrouw. Hoe hun verkeringstijd was. Ik herkende het. De vlinders in je buik, de zon die zelfs schijnt als het regent. Dat je soms moet huilen van geluk. Of omdat je hem zo mist.
'Nou zuster, nu weet ik het nog niet, ga je grassen vanavond of heb je dat nog nooit gedaan?'
'U bent wel erg nieuwsgierig hoor..' En ik dacht aan die dag dat we, zelfs al was de lucht stralend blauw, in de wolken waren.
'Ik zie het wel aan je, je bent gewoon te verliefd om te praten. Leuk is dat. Kom je morgen weer?' Ik knikte, gaf de kleine meid wat drinken en ik bedacht me hoe gelukkig ik eigenlijk ben.
'Moet je vanavond nog naar de disco?' Ik schudde mijn hoofd. Wat moest ik daar zoeken? Je kan elkaar niet eens verstaan. Denk ik.
'Maar je hebt toch verkering?' Mijn chagrijnigheid maakte een beetje plaats voor een kleine glimlach. Ik knikte van ja, en vroeg me af hoe hij dat wist.
'Komt je liefje je zo ophalen?' Hij keek op zijn horloge en mompelde dat ik nog 10 minuten moest werken. Nee, geen taxi van de liefste van de hele wereld. Dat niet. Ik had mijn eigen vervoer. Maar dat woord 'liefje'. Daar had hij dan weer wel gelijk in.
'Ga je grassen vanavond?' Ik vroeg hem wat dat was. Tja, ik was van nu, 19 nog maar, hij bijna 91, dus wist ik daar niets van. Gewoon, op het gras zitten. Oude jas mee, of picknickkleed.
Ik moest lachen. 'Met dit weer ook?' En hij vertelde over zijn vrouw. Hoe hun verkeringstijd was. Ik herkende het. De vlinders in je buik, de zon die zelfs schijnt als het regent. Dat je soms moet huilen van geluk. Of omdat je hem zo mist.
'Nou zuster, nu weet ik het nog niet, ga je grassen vanavond of heb je dat nog nooit gedaan?'
'U bent wel erg nieuwsgierig hoor..' En ik dacht aan die dag dat we, zelfs al was de lucht stralend blauw, in de wolken waren.
'Ik zie het wel aan je, je bent gewoon te verliefd om te praten. Leuk is dat. Kom je morgen weer?' Ik knikte, gaf de kleine meid wat drinken en ik bedacht me hoe gelukkig ik eigenlijk ben.
dinsdag 26 juni 2012
maandag 25 juni 2012
Hij was verward, wist niet
waar de doekjes lagen.
‘Oh, ik heb ze al’
moest ik vijf keer zeggen
voordat het zoeken stopte.
Zijn handen trilden toen hij zei
dat zijn vrouw verleden jaar was heengegaan
en hij praatte over
‘de voortzetting’
- dat een hemel fijn zou zijn
en dat hij daar dan heen zou fietsen, straks.
Hij zette thee en ik
zoog dode vliegen op,
lapte de vieze spiegel,
sopte het fornuis
en de tafel met de vieze vlekken.
Toen ik naar huis fietste moest ik
stilletjes huilen om hoe hij had gezegd
‘ja, voordat je het weet
ga je zo
het hoekje om.’
waar de doekjes lagen.
‘Oh, ik heb ze al’
moest ik vijf keer zeggen
voordat het zoeken stopte.
Zijn handen trilden toen hij zei
dat zijn vrouw verleden jaar was heengegaan
en hij praatte over
‘de voortzetting’
- dat een hemel fijn zou zijn
en dat hij daar dan heen zou fietsen, straks.
Hij zette thee en ik
zoog dode vliegen op,
lapte de vieze spiegel,
sopte het fornuis
en de tafel met de vieze vlekken.
Toen ik naar huis fietste moest ik
stilletjes huilen om hoe hij had gezegd
‘ja, voordat je het weet
ga je zo
het hoekje om.’
maandag 11 juni 2012
Ik laat los
Wat ik ooit heb vastgehouden
Mijn vingers spreid ik open
Verwachtingsvol naar God.
Mijn handen mogen nu ontvangen
Alles wat mooi is
In de ogen van de Heer
Ik buig mijn knieen
En hef mijn handen
Ik rol mij niet op
Voor de ogen van mijn God
Ik open mijn hart
En blijf verwachten
Hier ben ik
voor de troon van U
Mijn Heer
Wat ik ooit heb vastgehouden
Mijn vingers spreid ik open
Verwachtingsvol naar God.
Mijn handen mogen nu ontvangen
Alles wat mooi is
In de ogen van de Heer
Ik buig mijn knieen
En hef mijn handen
Ik rol mij niet op
Voor de ogen van mijn God
Ik open mijn hart
En blijf verwachten
Hier ben ik
voor de troon van U
Mijn Heer
dinsdag 1 mei 2012
Ik wil zeggen dat ik zo blij ben dat de zon vandaag weer schijnt en dat de lucht zo blauw is. Dat de bomen groene kartelrandjes maken tegen de lucht en dat alle blaadjes zich steeds verder ontvouwen. Dat het niet geeft dat de narcissen uitgebloeid raken, omdat de japanse sierkers in de tuin van de buren overdadig lichtroze bloemen geeft. Dat het hier sneeuwt, omdat de bloesemboom haar witte bloemblaadjes laat vallen.
Ik wil tegen je zeggen dat ik vrijdag ergens buiten op de grond lag en dat ik gelukkig was. Dat ik narcissen voor deuren legde in de hoop dat mensen ze de volgende ochtend zouden vinden. Dat ik stil ging slapen en stil wakker werd.
Ik wil je zeggen dat ik bang ben dat onze hond ooit doodgaat -alles en iedereen gaat immers een keer dood- omdat hij zo schriel en mager wordt als een oude hond. Dat ik bang ben dat ik straks zoveel mensen nooit meer zie omdat mijn leven dan een nieuwe fase ingaat. Dat ik soms s’ochtends zo bang ben voor de wereld dat ik niet op wil staan en me nestel in dromen en verlangens die toch nooit uitkomen.
Maar bovenal wil ik je zeggen dat ik je mis.
Ik wil tegen je zeggen dat ik vrijdag ergens buiten op de grond lag en dat ik gelukkig was. Dat ik narcissen voor deuren legde in de hoop dat mensen ze de volgende ochtend zouden vinden. Dat ik stil ging slapen en stil wakker werd.
Ik wil je zeggen dat ik bang ben dat onze hond ooit doodgaat -alles en iedereen gaat immers een keer dood- omdat hij zo schriel en mager wordt als een oude hond. Dat ik bang ben dat ik straks zoveel mensen nooit meer zie omdat mijn leven dan een nieuwe fase ingaat. Dat ik soms s’ochtends zo bang ben voor de wereld dat ik niet op wil staan en me nestel in dromen en verlangens die toch nooit uitkomen.
Maar bovenal wil ik je zeggen dat ik je mis.
maandag 19 maart 2012
Volbracht
Zijn stem breekt
het Woord betreedt de nacht
kruispunt van liefde en recht
onvergetelijk genade
volbracht
het Woord betreedt de nacht
kruispunt van liefde en recht
onvergetelijk genade
volbracht
woensdag 22 februari 2012
Utrecht Centraal
Marcherende mensen
in de mensenmassa
de massale vervreemding
maakt me bang
Marcherende mensen
in de mensenmassa
contact met elkaar
is niet van belang
Marcherende mensen
in de mensenmassa
elkaar ontwijkend
amper aankijkend
Marcherende mensen
in de mensenmassa
mens,
kijk toch eens om je heen dan.
in de mensenmassa
de massale vervreemding
maakt me bang
Marcherende mensen
in de mensenmassa
contact met elkaar
is niet van belang
Marcherende mensen
in de mensenmassa
elkaar ontwijkend
amper aankijkend
Marcherende mensen
in de mensenmassa
mens,
kijk toch eens om je heen dan.
zondag 19 februari 2012
De Geweldige Gelovige (slot)
De keuken rook naar kots maar het viel me alles mee. Ik ging er in ieder geval niet van over mijn nek De tulpen stonden op de keukentafel en ik werd er voor het eerst een beetje vrolijk van. Thomas zat op de bank te niksen en ik ging naast hem zitten. Ik voelde de woorden ineens opborrelen ook al had ik me iets heel anders voorgenomen. Ik had me voorgenomen om Thomas eens haarfijn uit te leggen hoe het precies zat met hem. Dat we hulp moesten zoeken voor hem en dat ik dan eindelijk thuis de tijd had om alles op een rijtje te zetten. Maar in plaats daarvan zei ik iets wat ik niet zonder een soort van innerlijke kracht had kunnen zeggen:
“Thomas, weet je dat ik heel erg van jou hou?”
Een lichte knik was het sein dat hij me hoorde. Dat deed me goed. Ik wist niet zo goed wat ik nog meer moest zeggen maar het leek net of een zachte stem de woorden in mijn hart toe fluisterde. “Zullen we samen een spelletje doen? En pannenkoeken bakken?”
Zou God werken door het bakken van een ham-kaas pannenkoek? Ik had geen idee. Ik had werkelijk geen idee wat ik stond te doen. Het was apart, een soort van lachwekkend en misschien wel het beste wat ik ooit had gedaan. Iemand die de Rode Zee door twee helften kon verdelen en Jona liet opslokken door een grote vis, OK, dat was genoeg reden om aan te nemen dat God kon werken door pannenkoeken. In elk geval deed het mij een enorm plezier om Thomas uit zijn flauwe houding te zien kruipen. Hij hielp me zelfs en at er wel een stuk of vijf. We hadden niet de meest indrukwekkende gesprekken maar het voelde ontzettend goed om naast hem te staan. Toen ik hem een glas melk aanbood keek hij me zelfs aan en toverde hij een waterige glimlach. Hij raakte zijn sigaretten niet aan en viel met zijn hoofd op mijn schoot in slaap toen we samen nog naar Midsomer’s Murders keken. Het was de meest mooie avond ever, sinds Kerst twee jaar geleden.
Ik wist nu wat het was om diep van binnen rijk te zijn en niet jaloers op de capaciteiten en zegen van de Geweldige Gelovige. Stiekem van binnen wist ik dat de bus was gestopt om mij iets te laten zien. Mijn eigen ego wellicht, maar ook een heleboel moois. God laat ons nooit stuk staren op eigen fouten maar altijd op de skyline van lichtjes en water, een skyline die Hij Zelf bedenkt. Ik vind het in eerste instantie hinderlijk om te geloven dat God echt langs komt met koekjes of door je heen kan werken met pannenkoeken bakken.
In het regenseizoen van mijn leven heb ik heel wat mensen voor verantwoordelijk gehouden. En ontdekt dat de verantwoording of schuld niet te vinden is, laat staan dat de zoektocht zo geweldig was. Maar mijn grootste schuldgevoel lag bij mijzelf, als een soort zwaar dekbed die zelfs in de zomer nog op mij lag. Het was iedere nacht een hele worsteling om van dat dekbed af te komen, maar voor het ochtend werd lag ik met dekbed en al op de grond. Het achtervolgde me met de jaren.
Die zondag werd er niets gedeeld over mijn spontane genezing. Maar goed ook, paracetamol was best simpel. Ik was er blij mee, en beleed mijn vooroordelen direct. Ik voelde me licht en gelukkig en vertelde Anne over mijn bijzondere ervaring met Thomas op de bank. Ze leek oprecht blij en nam het woord ‘amen’, ‘zuster’ en ‘halleluja’ niet in de mond. Ik was God dankbaar. Oprecht. Geen spoor van sarcasme.
God is niet een verloren trend, of van 2004 of zo. God is God en Hij was er ook toen het volledig spaak liep. Misschien maakt dat geloven zo geweldig: je hebt nog steeds geen idee naar welk oord je onderweg bent, maar je gaat en je ontdekt het landschap. En dan deelt Hij nog koekjes uit ook.
Het voelde alsof de eerste echte warme dag van de lente was aangebroken. Lammetjes, een duif die ik in de verte hoorde roepen, en narcissen in de tuin van de buurvrouw. Vanaf die dag lees alles een stukje beter te gaan. Zelfs de Geweldige Gelovige leek ik meer te gaan waarderen. En ik kwam er achter dat hij lang niet zo geweldig was als ik dacht, of in elk geval niet het ‘soort geweldig’ wat ik hem oplegde in mijn gedachten. Het bleek dat zijn vader ernstig ziek was en zijn dochtertje op school een enorme rebel was. Ze hadden er vaak problemen mee gehad in het gezin. Mijn jaloezie zakte en mijn medeleven groeide. Er was iets in mijn hart geplant waardoor ik de wereld om mij heen door zeer realistisch maar ook iets andere ogen bekeek. Door de ogen van Jezus.
Geloven in iets waarvan anderen zeggen dat het ontzettend geweldig is klinkt aannemelijk. Ik vond het ook aannemelijk, toen alles nog goed ging en ik een van die gelukkige stellen was uit de kerk. Niks geen reis voor singles: rampspoed en ellende was aan mij niet besteed. Een fundament bouwen op Christus evenmin. De kerk was een ritueel, mijn vrienden kende ik oppervlakkig en de kring waar ik wekelijks naar toe ging was een leuke verplichting. Ik riep ‘ja amen’ en ‘Gods zegen’ en ga zo maar door, zonder dat ik eigenlijk wist wat het was om dankbaar te zijn, of het ergens mee eens te zijn. Ik nam alles aan, niks landde in mijn hart en ik had de irritante behoefte om altijd klaar te staan met antwoorden. Theologie vond ik prima, zolang het maar begrijpelijk bleef. Twijfel was voor de zwakkeren en de dominee had altijd gelijk. Niks hoefde getoetst of bevestigt te worden. Geloven was easy. Ik was iemand die makkelijk achterover leunde, want God ‘ging het toch wel in me doen’.
Maar dat maakt diep van binnen geloven lang niet zo geweldig.
(Niks is zo saai als een passief en lui christendom)
“Thomas, weet je dat ik heel erg van jou hou?”
Een lichte knik was het sein dat hij me hoorde. Dat deed me goed. Ik wist niet zo goed wat ik nog meer moest zeggen maar het leek net of een zachte stem de woorden in mijn hart toe fluisterde. “Zullen we samen een spelletje doen? En pannenkoeken bakken?”
Zou God werken door het bakken van een ham-kaas pannenkoek? Ik had geen idee. Ik had werkelijk geen idee wat ik stond te doen. Het was apart, een soort van lachwekkend en misschien wel het beste wat ik ooit had gedaan. Iemand die de Rode Zee door twee helften kon verdelen en Jona liet opslokken door een grote vis, OK, dat was genoeg reden om aan te nemen dat God kon werken door pannenkoeken. In elk geval deed het mij een enorm plezier om Thomas uit zijn flauwe houding te zien kruipen. Hij hielp me zelfs en at er wel een stuk of vijf. We hadden niet de meest indrukwekkende gesprekken maar het voelde ontzettend goed om naast hem te staan. Toen ik hem een glas melk aanbood keek hij me zelfs aan en toverde hij een waterige glimlach. Hij raakte zijn sigaretten niet aan en viel met zijn hoofd op mijn schoot in slaap toen we samen nog naar Midsomer’s Murders keken. Het was de meest mooie avond ever, sinds Kerst twee jaar geleden.
Ik wist nu wat het was om diep van binnen rijk te zijn en niet jaloers op de capaciteiten en zegen van de Geweldige Gelovige. Stiekem van binnen wist ik dat de bus was gestopt om mij iets te laten zien. Mijn eigen ego wellicht, maar ook een heleboel moois. God laat ons nooit stuk staren op eigen fouten maar altijd op de skyline van lichtjes en water, een skyline die Hij Zelf bedenkt. Ik vind het in eerste instantie hinderlijk om te geloven dat God echt langs komt met koekjes of door je heen kan werken met pannenkoeken bakken.
In het regenseizoen van mijn leven heb ik heel wat mensen voor verantwoordelijk gehouden. En ontdekt dat de verantwoording of schuld niet te vinden is, laat staan dat de zoektocht zo geweldig was. Maar mijn grootste schuldgevoel lag bij mijzelf, als een soort zwaar dekbed die zelfs in de zomer nog op mij lag. Het was iedere nacht een hele worsteling om van dat dekbed af te komen, maar voor het ochtend werd lag ik met dekbed en al op de grond. Het achtervolgde me met de jaren.
Die zondag werd er niets gedeeld over mijn spontane genezing. Maar goed ook, paracetamol was best simpel. Ik was er blij mee, en beleed mijn vooroordelen direct. Ik voelde me licht en gelukkig en vertelde Anne over mijn bijzondere ervaring met Thomas op de bank. Ze leek oprecht blij en nam het woord ‘amen’, ‘zuster’ en ‘halleluja’ niet in de mond. Ik was God dankbaar. Oprecht. Geen spoor van sarcasme.
God is niet een verloren trend, of van 2004 of zo. God is God en Hij was er ook toen het volledig spaak liep. Misschien maakt dat geloven zo geweldig: je hebt nog steeds geen idee naar welk oord je onderweg bent, maar je gaat en je ontdekt het landschap. En dan deelt Hij nog koekjes uit ook.
Het voelde alsof de eerste echte warme dag van de lente was aangebroken. Lammetjes, een duif die ik in de verte hoorde roepen, en narcissen in de tuin van de buurvrouw. Vanaf die dag lees alles een stukje beter te gaan. Zelfs de Geweldige Gelovige leek ik meer te gaan waarderen. En ik kwam er achter dat hij lang niet zo geweldig was als ik dacht, of in elk geval niet het ‘soort geweldig’ wat ik hem oplegde in mijn gedachten. Het bleek dat zijn vader ernstig ziek was en zijn dochtertje op school een enorme rebel was. Ze hadden er vaak problemen mee gehad in het gezin. Mijn jaloezie zakte en mijn medeleven groeide. Er was iets in mijn hart geplant waardoor ik de wereld om mij heen door zeer realistisch maar ook iets andere ogen bekeek. Door de ogen van Jezus.
Geloven in iets waarvan anderen zeggen dat het ontzettend geweldig is klinkt aannemelijk. Ik vond het ook aannemelijk, toen alles nog goed ging en ik een van die gelukkige stellen was uit de kerk. Niks geen reis voor singles: rampspoed en ellende was aan mij niet besteed. Een fundament bouwen op Christus evenmin. De kerk was een ritueel, mijn vrienden kende ik oppervlakkig en de kring waar ik wekelijks naar toe ging was een leuke verplichting. Ik riep ‘ja amen’ en ‘Gods zegen’ en ga zo maar door, zonder dat ik eigenlijk wist wat het was om dankbaar te zijn, of het ergens mee eens te zijn. Ik nam alles aan, niks landde in mijn hart en ik had de irritante behoefte om altijd klaar te staan met antwoorden. Theologie vond ik prima, zolang het maar begrijpelijk bleef. Twijfel was voor de zwakkeren en de dominee had altijd gelijk. Niks hoefde getoetst of bevestigt te worden. Geloven was easy. Ik was iemand die makkelijk achterover leunde, want God ‘ging het toch wel in me doen’.
Maar dat maakt diep van binnen geloven lang niet zo geweldig.
(Niks is zo saai als een passief en lui christendom)
De Geweldige Gelovige (2)
Liefde is iets wat je overkomt en niet wat je besluit. Dat was mijn grootste les in het leven die ik geleerd had, en mijn meest slechte ervaring. Ik had een kapot huwelijk, lag in een echtscheiding en hield God voor verantwoordelijk. Er was een tijd dat ik een happy clappy christen was, inclusief Michael W Smith T-shirt en een iPod vol met Elly, Opwekking en Troost. Ik was een trotse moeder van een twee jaar oude huppelende peuter en mijn baan ging geweldig goed. De Geweldige Gelovige was niet mijn vijand, maar een vriend.
Tot mijn ex vreemd ging, ik er na drie maanden eindelijk achterkwam, mijn man het huis uit stuurde per direct, mijn zoon actief ging blowen en mijn baan er aan ging omdat ik strak stond van de stress. Mijn liefde voor God verdween als sneeuw voor de zon en ik vroeg me sterk af waar ik het allemaal aan had verdiend.
“”Waarom niet?” had de Geweldige Gelovige vanaf de kansel geroepen. Hij sprak iedereen aan maar ik voelde me persoonlijk teveel aangesproken. Zo persoonlijk dat ik dichtklapte en niemand vertelde dat ik de scheidingsprocedure al had getekend. In eerste instantie geloofde ik dat het leven maar om 1 ding draaide: God. En nu wist ik het niet meer. Geweldige Gelovigen in je nabije omgeving maken het, onbewust, niet makkelijk, hoewel het niet hun schuld is. En toch had ik een hekel aan hen omdat ze zich zo vreselijk cool, puur, zuiver voordeden. En ergens leefden ze dat ook nog op een bepaald soort manier uit ook. Ik vroeg me steeds af of dat echt was of niet. Dat stak me.
De bus was gestopt in mijn hart. Jezus kwam langs mijn stoel met een trommel koekjes. “Wil je er een?” zei Hij. Hij wist dat ik er hevig naar verlangde want de eerste hap zou een beetje vrede in mijn hart toevoegen. Een koekje van vrede. Het klinkt belachelijk maar ik moest er aan denken. Maar ik sloeg Zijn aanbod af. Zijn knappe gezicht en bruine ogen bleven me aankijken. Of ik het zeker wist. Nou, ik wist zeker van niet nee. Ik wilde dolgraag een koekje, Zijn vingers voelen en het allerliefste wilde ik dat Hij naast me kwam zitten. Maar dat deed Hij niet. Of misschien kon Hij toch echt iets van mijn voorhoofd aflezen: een nee-sticker. Misschien kon Hij de hoekjes los trekken. Maar Hij liep weer terug naar God, ging zitten en wees de Geest op het uitzicht. Het was fantastisch, terwijl de bus stil stond.
Het probleem met geloven is dat het mij iets ging kosten. Mijn huwelijk misschien, als God dan toch een beetje op die manier werkt. Weliswaar een rare manier. Op hetzelfde moment dat Jezus wegliep naar Zijn stoel, trok ik de nee-sticker van mijn voorhoofd. Ik kon het plak spul nog voelen, het trok een beetje aan mijn huid. Maar het subtiele wat ik van binnen voelde, het zelfzuchtige zelfmedelijden wat ik moest opgeven was veel nadrukkelijker.
Ik nam een besluit.
Tot mijn ex vreemd ging, ik er na drie maanden eindelijk achterkwam, mijn man het huis uit stuurde per direct, mijn zoon actief ging blowen en mijn baan er aan ging omdat ik strak stond van de stress. Mijn liefde voor God verdween als sneeuw voor de zon en ik vroeg me sterk af waar ik het allemaal aan had verdiend.
“”Waarom niet?” had de Geweldige Gelovige vanaf de kansel geroepen. Hij sprak iedereen aan maar ik voelde me persoonlijk teveel aangesproken. Zo persoonlijk dat ik dichtklapte en niemand vertelde dat ik de scheidingsprocedure al had getekend. In eerste instantie geloofde ik dat het leven maar om 1 ding draaide: God. En nu wist ik het niet meer. Geweldige Gelovigen in je nabije omgeving maken het, onbewust, niet makkelijk, hoewel het niet hun schuld is. En toch had ik een hekel aan hen omdat ze zich zo vreselijk cool, puur, zuiver voordeden. En ergens leefden ze dat ook nog op een bepaald soort manier uit ook. Ik vroeg me steeds af of dat echt was of niet. Dat stak me.
De bus was gestopt in mijn hart. Jezus kwam langs mijn stoel met een trommel koekjes. “Wil je er een?” zei Hij. Hij wist dat ik er hevig naar verlangde want de eerste hap zou een beetje vrede in mijn hart toevoegen. Een koekje van vrede. Het klinkt belachelijk maar ik moest er aan denken. Maar ik sloeg Zijn aanbod af. Zijn knappe gezicht en bruine ogen bleven me aankijken. Of ik het zeker wist. Nou, ik wist zeker van niet nee. Ik wilde dolgraag een koekje, Zijn vingers voelen en het allerliefste wilde ik dat Hij naast me kwam zitten. Maar dat deed Hij niet. Of misschien kon Hij toch echt iets van mijn voorhoofd aflezen: een nee-sticker. Misschien kon Hij de hoekjes los trekken. Maar Hij liep weer terug naar God, ging zitten en wees de Geest op het uitzicht. Het was fantastisch, terwijl de bus stil stond.
Het probleem met geloven is dat het mij iets ging kosten. Mijn huwelijk misschien, als God dan toch een beetje op die manier werkt. Weliswaar een rare manier. Op hetzelfde moment dat Jezus wegliep naar Zijn stoel, trok ik de nee-sticker van mijn voorhoofd. Ik kon het plak spul nog voelen, het trok een beetje aan mijn huid. Maar het subtiele wat ik van binnen voelde, het zelfzuchtige zelfmedelijden wat ik moest opgeven was veel nadrukkelijker.
Ik nam een besluit.
vrijdag 17 februari 2012
De Geweldige Gelovige
“Het geloven gaat je niet al te aardig af hè?” zei de Geweldige Gelovige op een dag tegen me. Ik boog mijn hoofd, voelde tranen prikken en staarde naar de punten van mijn schoenen. “Nee”, perste ik er met samengeknepen lippen uit. Nee, zei de Minder Gelovige.
“Je twijfelt nog steeds of niet?” ging de Geweldige Gelovige verder. Hij ging naast me zitten en legde een hand op mijn rug. Zijn hippe geblokte blouse was nieuw. Rook nieuw. De Geweldige Gelovige rook altijd nieuw. Althans, zo leek dat. Hij had een soort van lichtgevende uitstraling van een engel. Maar dan zonder de vleugels en de kring boven zijn hoofd. Hij maakte grapjes die iedereen grappig vond en wist over alles wel iets te vertellen. Sterker nog, vragen of twijfels: die hoorden niet bij de Geweldige Gelovige. Want hij was Geweldig.
“Ik twijfel over alles. Of God wel of niet bestaat. Of het Evangelie echt waar is. Of Hij me werkelijk hoort”. Ik kon niet voorkomen dat ik een beetje schril klonk. Ik piepte een soort van, het aanloopje naar een flinke huilbui. Maar ik moest me inhouden van mezelf. Want zijn blouse was nieuw en ik zou beslist kwijlen, en dat met mijn rode lippenstift op.
“Oh ja”. Hij knikte instemmend maar toch had ik niet het gevoel alsof hij me begreep. “Tsja.” Dat was een antwoord waar je net niet niks wat aan had. En dat was alles dan. Hij fronste zijn wenkbrauwen en er viel een lange stilte tussen ons. Ik verwachtte een antwoord maar het liefst rende ik hard weg. De Geweldige Gelovige stond bekend om zijn onderwijs, gaven en vruchten. Hij was vriendelijk, lachte altijd naar je en zelfs de oude omaatjes uit de gemeente vonden hem charmant.
“Ga je nog aanstaande vrijdag naar kring toe?” vroeg hij ineens uit het niets. Ik keek verward. “Ik heb het gevoel”, vervolgde hij, “dat het je heel erg goed zal doen”. Ik knikte aarzelend. “Misschien wel, ik denk wel dat ik kom”.
“Geweldig! God gaat zo door jou heen werken, het zal ongelooflijk worden!” Hij toverde zijn Prodent lach tevoorschijn. Ik slikte mijn tranen weg. Dat was een beetje hoop met de nadruk op een beetje. Ik voelde me miezerig, ondankbaar en klein tegelijk. “Ja?”
“Vast en zeker. Wauw.” Hij bleef me aan kijken.
“Oke”, zei ik. Misschien moest ik nu toch maar eens echt gaan geloven.
“Tof joh! Echt geweldig dat ik je vrijdag ga zien”, zei de Geweldige Gelovige. Hij pakte zijn Bijbel. Het had een bruin leren hoes, en de bladzijden roken net zo nieuw als zijn blouse. “Gods zegen zuster!!!”
O ja. Gods zegen. Ik had duizend vragen aan God maar de grootste vraag was de vraag waar die zegen zogenaamd was gebleven. Niet in mijn kapotte huwelijk, niet in mijn zoon Thomas die de hele dag door liep te blowen, niet in mijn baan die op de tocht stond, niet in mijn huis waar 100 klusjes te doen waren, niet in mijn ex die dagelijks mijn voicemail in sprak, niet in mijn auto die niet door de APK was gekomen de afgelopen maand en zelfs niet in mijn gemeente waar Geweldige Gelovige bestond.
Maar eerst vrijdag naar kring. Wie weet.
De Geweldige Gelovige haalde me op. “Ik kom er toch toevallig langs dus ik pik je zo op over 10 minuten”, stond er in de sms. Ik controleerde mijn kapsel en mijn make-up. Aangezien hij aan het andere eind van de stad woonde vond ik het vreemd dat hij ineens mij zou ophalen. En vervelend, dat vooral.
Thomas zat in de woonkamer en zapte teevee. “Er ligt chips voor je in de keuken”, zei ik maar de blik in zijn ogen gaven weinig teken van leven. Ik wist niet zeker of hij wel doorhad dat hij naar SpongeBob keek, en dat hij daar te oud voor was. Zeventien jaar, een fervent spijbelaar, blower en drinker. Ik was de grip verloren, en het begrip.
‘Ding dong’ zei de bel. Een beetje triestig, ze was half kapot en half gemaakt. Ik pakte mijn tas, stopte mijn Bijbel erin en mijn sleutels en liep naar de hal. Door het kijkgaatje kon ik zien dat het de Geweldige Gelovige was.
“Hoi”, zei ik toen ik de deur open deed. Ik stond direct naast hem buiten en klapte de deur dicht. “We kunnen gaan”.
“Geweldig. Wat goed om je te zien zuster”, zei hij. Zijn kraag stond rechtop en ik zag zijn geblokte blouse een stukje tevoorschijn komen. Zijn luxe auto stond naast de mijne, een iets minder luxe en best wel lelijke auto, geparkeerd. Ik voelde me een ander stuk mens toen ik naast hem liep. Hij in zijn dure jas met zijn glanzende Bijbel, ik op mijn afgetrapte schoenen, met een maaltijd achter mijn kiezen van de voedselbank.
Op kring was er minder verschil zichtbaar. Anne was de gastvrouw van de avond. Ze stelde haar huis ter beschikking. Een bescheiden flatje aan de rand van de stad. “Hoi allemaal”, opende ze de avond terwijl ze eerst langs ging met koffie en cake. Het was mijn toetje want die had ik vandaag niet op. De Geweldige Gelovige stelde voor om met zijn allen te gaan staan. Ik had de cake nog nauwelijks op maar toch deed ik mee. “Pak elkaars handen beet en laten we God zoeken”. Hij zuchtte er een soort van bij en herhaalde dit meerdere malen.
Na vijf minuten nam iemand uit de kring het woord. Oh Heer begon hij maar het klonk niet zo klagerig en twijfelachtig als dat ik altijd begon. Hij bad over de avond een zegen uit, sprak zijn medeleven uit naar diegenen die niet konden komen en toen hij amen zei deed iedereen zijn ogen weer open, dronken we onze koffie op en startte Anne de avond. Het was een Bijbelstudie over Jona, en de vraag die centraal stond was of we ook bereid waren om onze hoogmoed voor God op te geven en onze beter-weten plannen. Ik hield me afzijdig en stil totdat de Geweldige Gelovige zich voorover boog naar mij toe.
“Wat vind jij hier allemaal van?” Hij klonk niet belangstellend maar trok de aandacht van Anne en diegenen die naast mij zaten, in een straal van 3 meter.
“Ik weet het niet”, zei ik eerlijk. Ik voelde me een sukkel. Iemand die zelfs te dom hiervoor was. Ik voelde me een loser, ik had heus wel geluisterd maar toch, misschien had Thomas iets teveel geblowd in huis en waren nu ook mijn hersencellen gekrompen.
Niemand zei iets of vroeg erop door. Toen vertelde Anne dat ze aan een nieuw boek was begonnen. “Prijs de Heer”, zei de Geweldige Gelovige. “Waar gaat het over?” vroeg ik.
“Ik ben een verhaal begonnen over een stel vrienden die los van elkaar dezelfde reis boeken. Ze weten wel van elkaar dat ze die reis hebben geboekt, maar niet samen. Hij zit voorin de bus, zij achterin. Hij gaat wel mee naar het museum, zij blijft achter in het hotel. Eigenlijk spreken ze elkaar niet, en toch zijn ze de hele reis met elkaar bezig. Hij heeft zijn gedachten, en zij heeft haar gedachten”
“Wauw, amazing! Dat boek moet ik hebben zodra het uit is”, zei de Geweldige Gelovige.
Ik kon niet ontkennen dat ik niet nieuwsgierig was. “En welke boodschap schuilt daar achter?” vroeg mijn buurman.
Anne knipoogde naar hem. “Nou ja, ik had er niet direct een boodschap zelf achter gevonden. Tot ik begon na te denken over onze reis als christenen die we maken met Jezus, onze beste Vriend. We boeken zo vaak Samen dezelfde reis en toch, we zoeken Hem amper op. Maar stiekem zijn we wel met Hem bezig”.
Mijn buurman knikte. “Dus dat is de diepere laag?” Anne lachte opnieuw. “Ja, ik geloof wel dat God dit zo op mijn hart heeft gelegd” antwoordde ze. “Iemand nog koffie?”
Ik lag in mijn bed en staarde naar het plafond. Het was een tweepersoons bed. En toch lag ik er alleen in. Onder de deur door zag ik een streepje grijs blauwe lichten. Ze leken mijn kamer binnen te schallen als nieuwe gedachten, om aan te vallen en te beuken. Om mijn hoofd aan het trillen te brengen. Thomas zat nog laat teevee te kijken. De 6000e aflevering van SpongeBob misschien. Hij had dezelfde lege blik in zijn ogen als toen ik hem achterliet.
Een reis, een reis Wij Samen. Dat was een totaal nieuwe gedachte maar toen Anne uitlegde waarom drong het door. Recht in mijn hart schoot God Zijn pijlen af. Recht in de roos. Ik was Zijn metgezel en toch voelde ik me verloren. Een single mee op een reis met stelletjes. De verkeerde trip, en ja, in het hotel achterblijven zonder hartjes en verliefde gezichten was een uitstekende optie. Het probleem was, Hij, Mijn Metgezel was wel razend verliefd. Zijn gedachten gingen voortdurend over mij, en dat stak me. Was dat wel de bedoeling? Of was het ook logisch als ik dan net zoveel over Hem dacht?
Maar stiekem zijn ze wel met Hem bezig ik fluisterde de woorden voor mijzelf in het donker. Het was een stukje toegeven en toch ook weer niet. Ergens wist Hij dat allang anders had Hij die reis ook niet geboekt, ook al leek Hij nog net zo ver weg.
“Mam?” Thomas riep me en dat betekende foute boel. Drank op? Sigaretten kwijt? Geld gestolen? Ik schommelde mijn benen het bed uit en reikte naar mijn sloffen onder het bed. Ik kwam mijn Bijbel tegen.
Het was een rot nacht geweest. Mijn hoofd zat vol met nieuwe gedachten, die rond bleven dwarrelen en nergens een plekje vonden. Thomas had drank gepakt, zonder dat hij wist hoe sterk alles was. In een opwelling had hij zijn zoveelste joint opgestoken en hoewel dat normaal gesproken ‘goed’ ging, ging het nu grandioos fout. Hij vloekte de hele nacht door en ik kreeg hem niet rustig in bed. Uiteindelijk is hij naar buiten gegaan en ik heb de seconden geteld tot hij weer thuis was en in zijn bed lag.
Ik verlangde diep hevig naar vrede, maar mijn baan riep aandacht en de auto moest worden verkocht aan een of andere klus nerd die me voor een paar tientjes blij kon maken. Toen ik twee dagen later in de supermarkt stond en een reis aanbieding zag werd het me allemaal even teveel. Ik bleef zaterdag ziek thuis in bed en ook zondag kwam ik voor de kerk mijn bed niet uit.
Ik miste de kerk niet. De Geweldige Gelovige zou beslist vooraan staan, zoals altijd. Handen omhoog en ogen irritant samengeknepen. In mijn ogen dan, heel erg irritant. Hij zou iets prevelen wat op de taal van de Geest leek, want dat doen alle Geweldige Gelovigen, en ‘amen’ zeggen, all the time.
Ik had het gevoel alsof ik sinds vrijdagavond kringavond de bus was ingestapt. De bus van Weet Ik Veel Waar Naar Toe en ik wist niet of ik er goed aan deed om met mijn neus tegen het glas aangedrukt vooraan te zitten. Ik kon het landschap aan me voorbij zien razen en er voor mijn gevoel niets van mee krijgen. Ik voelde van alles in mijn binnenste op borrelen. Vooral als ik na dacht over de kerk, mijn aandeel (of juist het gebrek eraan). Of geloven, dat was ook zoiets vaags geworden en aangezien ik nu op weg was naar weet ik veel waar werd het alleen maar lastiger. Lastiger in de zin van ‘belastend’.
Ik had al genoeg lasten.
Dat wist de Geweldige Gelovige ook. Of in zekere zin, ik had hem nooit iets mede gedeeld maar kennelijk kon je het van mijn voorhoofd aflezen. Hij speculeerde er op los. En suggereerde altijd negen van de tien keer nog raak ook.
Ik kwam hem maandag tegen bij de bloemist.
“Goedemorgen zuster, wat goed je weer te zien”.
Weet je, hij irriteerde me omdat hij altijd zo vriendelijk was. Ik probeerde ook vriendelijk te zijn maar als het niet lukte, dan lukte het niet. En hij deed altijd zo, zo … ZO nep! Of, of niet dan? Ik voelde me direct weer schuldig omdat ik zo verkeerd dacht. Ware gristenen deden dat niet, daarom was hij ook zo geweldig en ik niet.
Maar, kon ik mezelf wel christen noemen?
“Goedemorgen”, zei ik. Ik stond bij de gerbera’s en hij bij de tulpen. “Bloemetje voor jezelf aan het uitkiezen?” vroeg hij. Zelfs die vraag vond ik irritant. “Nee, voor de buurvrouw. Die is ziek”, loog ik. Het was enkel om mezelf te bewijzen. Te bewijzen dat ik ook die zorgzame christen was en niet alleen aan mijn eigen zegen dacht.
“Goed bezig zuster”, zei de Geweldige Gelovige. Hij rechtte zijn rug en knikte me vriendelijk toe. “Waar was je in de kerk zondag? We hebben je gemist. De Heer ook”.
De Heer? Ik miste de Heer vaker dan Hij mij, dacht ik voor mezelf. “Ziek” zei ik kortaf.
“Oh genezing Heer”, bad hij uit het niets hardop. Ik had er al spijt van dat ik niet door was gegaan met liegen. Vreselijk. Waarom moest de Geweldige Gelovige altijd eerst met een oplossing komen in plaats van een opmerking vol medeleven? Of was dit medeleven?
“Ik ben al weer beter hoor”, zei ik snel. Als ik nu niet heel snel die bos tulpen kocht zou ik de gerbera’s opeten. Ter plekke.
“Geweldig, wat is God toch goed! Wat een bemoediging zuster!”
Ik geloof dat ik een stukje miste. Maar het zou waarschijnlijk in de zondag als ‘getuigenis’ worden gedeeld en daarna zou iedereen me blij aan knikken en God loven omdat de Minder Gelovige was ‘gaan staan in genezing’. Al die voorbede had dus toch zin! Halleluja.
Amen.
Geloven was een ontzettend moeilijk iets. Je kunt niet van iemand gaan houden waarop je nooit verliefd bent geweest. Je kunt niet iemand in zekere zin gaan volgen zonder eerst kennis met diegene te hebben gemaakt. Ik vond God ver weg, en bij Jezus kreeg ik het beeld van de Geweldige Gelovige: voor een ieder vriendelijk en altijd de slimste van de klas. De Heilige Geest kende ik een klein beetje, ik kreeg soms een kippenvel-gevoel tijdens de aanbidding. Dan zong Anne en moest ik beetje huilen. En toch had ik sterk het idee dat we nu alle Drie in Dezelfde bus zaten. En dat die bus ongelooflijk hard reed, rondjes in mijn hart. En dat ik elk rondje iets meer van het landschap meekreeg. Dat er mensen buiten stonden te zwaaien en riepen dat ik bij hen moest komen eten, drinken en slapen. Maar de bus reed hard en mijn stoel zat best lekker, zo lang ik maar bleef zitten.
Ik rekende de tulpen af en groette de Geweldige Gelovige. Hij stond te aarzelen over de tulpen of gerbera’s en het zou me niets verbazen als hij zou gaan bidden voor een openbaring. Ik had al genoeg openbaring gezien, dus ik fietste naar huis waar ik Thomas aantrof in een laagje kots en een klein briefje.
Er stond op: sorry mama.
Het brak mijn hart en ik huilde lang en hard toen ik hem uit de smerigheid trok en op de bank legde met een dekentje. Hij viel in slaap alsof er niets aan de hand was.
“Je twijfelt nog steeds of niet?” ging de Geweldige Gelovige verder. Hij ging naast me zitten en legde een hand op mijn rug. Zijn hippe geblokte blouse was nieuw. Rook nieuw. De Geweldige Gelovige rook altijd nieuw. Althans, zo leek dat. Hij had een soort van lichtgevende uitstraling van een engel. Maar dan zonder de vleugels en de kring boven zijn hoofd. Hij maakte grapjes die iedereen grappig vond en wist over alles wel iets te vertellen. Sterker nog, vragen of twijfels: die hoorden niet bij de Geweldige Gelovige. Want hij was Geweldig.
“Ik twijfel over alles. Of God wel of niet bestaat. Of het Evangelie echt waar is. Of Hij me werkelijk hoort”. Ik kon niet voorkomen dat ik een beetje schril klonk. Ik piepte een soort van, het aanloopje naar een flinke huilbui. Maar ik moest me inhouden van mezelf. Want zijn blouse was nieuw en ik zou beslist kwijlen, en dat met mijn rode lippenstift op.
“Oh ja”. Hij knikte instemmend maar toch had ik niet het gevoel alsof hij me begreep. “Tsja.” Dat was een antwoord waar je net niet niks wat aan had. En dat was alles dan. Hij fronste zijn wenkbrauwen en er viel een lange stilte tussen ons. Ik verwachtte een antwoord maar het liefst rende ik hard weg. De Geweldige Gelovige stond bekend om zijn onderwijs, gaven en vruchten. Hij was vriendelijk, lachte altijd naar je en zelfs de oude omaatjes uit de gemeente vonden hem charmant.
“Ga je nog aanstaande vrijdag naar kring toe?” vroeg hij ineens uit het niets. Ik keek verward. “Ik heb het gevoel”, vervolgde hij, “dat het je heel erg goed zal doen”. Ik knikte aarzelend. “Misschien wel, ik denk wel dat ik kom”.
“Geweldig! God gaat zo door jou heen werken, het zal ongelooflijk worden!” Hij toverde zijn Prodent lach tevoorschijn. Ik slikte mijn tranen weg. Dat was een beetje hoop met de nadruk op een beetje. Ik voelde me miezerig, ondankbaar en klein tegelijk. “Ja?”
“Vast en zeker. Wauw.” Hij bleef me aan kijken.
“Oke”, zei ik. Misschien moest ik nu toch maar eens echt gaan geloven.
“Tof joh! Echt geweldig dat ik je vrijdag ga zien”, zei de Geweldige Gelovige. Hij pakte zijn Bijbel. Het had een bruin leren hoes, en de bladzijden roken net zo nieuw als zijn blouse. “Gods zegen zuster!!!”
O ja. Gods zegen. Ik had duizend vragen aan God maar de grootste vraag was de vraag waar die zegen zogenaamd was gebleven. Niet in mijn kapotte huwelijk, niet in mijn zoon Thomas die de hele dag door liep te blowen, niet in mijn baan die op de tocht stond, niet in mijn huis waar 100 klusjes te doen waren, niet in mijn ex die dagelijks mijn voicemail in sprak, niet in mijn auto die niet door de APK was gekomen de afgelopen maand en zelfs niet in mijn gemeente waar Geweldige Gelovige bestond.
Maar eerst vrijdag naar kring. Wie weet.
De Geweldige Gelovige haalde me op. “Ik kom er toch toevallig langs dus ik pik je zo op over 10 minuten”, stond er in de sms. Ik controleerde mijn kapsel en mijn make-up. Aangezien hij aan het andere eind van de stad woonde vond ik het vreemd dat hij ineens mij zou ophalen. En vervelend, dat vooral.
Thomas zat in de woonkamer en zapte teevee. “Er ligt chips voor je in de keuken”, zei ik maar de blik in zijn ogen gaven weinig teken van leven. Ik wist niet zeker of hij wel doorhad dat hij naar SpongeBob keek, en dat hij daar te oud voor was. Zeventien jaar, een fervent spijbelaar, blower en drinker. Ik was de grip verloren, en het begrip.
‘Ding dong’ zei de bel. Een beetje triestig, ze was half kapot en half gemaakt. Ik pakte mijn tas, stopte mijn Bijbel erin en mijn sleutels en liep naar de hal. Door het kijkgaatje kon ik zien dat het de Geweldige Gelovige was.
“Hoi”, zei ik toen ik de deur open deed. Ik stond direct naast hem buiten en klapte de deur dicht. “We kunnen gaan”.
“Geweldig. Wat goed om je te zien zuster”, zei hij. Zijn kraag stond rechtop en ik zag zijn geblokte blouse een stukje tevoorschijn komen. Zijn luxe auto stond naast de mijne, een iets minder luxe en best wel lelijke auto, geparkeerd. Ik voelde me een ander stuk mens toen ik naast hem liep. Hij in zijn dure jas met zijn glanzende Bijbel, ik op mijn afgetrapte schoenen, met een maaltijd achter mijn kiezen van de voedselbank.
Op kring was er minder verschil zichtbaar. Anne was de gastvrouw van de avond. Ze stelde haar huis ter beschikking. Een bescheiden flatje aan de rand van de stad. “Hoi allemaal”, opende ze de avond terwijl ze eerst langs ging met koffie en cake. Het was mijn toetje want die had ik vandaag niet op. De Geweldige Gelovige stelde voor om met zijn allen te gaan staan. Ik had de cake nog nauwelijks op maar toch deed ik mee. “Pak elkaars handen beet en laten we God zoeken”. Hij zuchtte er een soort van bij en herhaalde dit meerdere malen.
Na vijf minuten nam iemand uit de kring het woord. Oh Heer begon hij maar het klonk niet zo klagerig en twijfelachtig als dat ik altijd begon. Hij bad over de avond een zegen uit, sprak zijn medeleven uit naar diegenen die niet konden komen en toen hij amen zei deed iedereen zijn ogen weer open, dronken we onze koffie op en startte Anne de avond. Het was een Bijbelstudie over Jona, en de vraag die centraal stond was of we ook bereid waren om onze hoogmoed voor God op te geven en onze beter-weten plannen. Ik hield me afzijdig en stil totdat de Geweldige Gelovige zich voorover boog naar mij toe.
“Wat vind jij hier allemaal van?” Hij klonk niet belangstellend maar trok de aandacht van Anne en diegenen die naast mij zaten, in een straal van 3 meter.
“Ik weet het niet”, zei ik eerlijk. Ik voelde me een sukkel. Iemand die zelfs te dom hiervoor was. Ik voelde me een loser, ik had heus wel geluisterd maar toch, misschien had Thomas iets teveel geblowd in huis en waren nu ook mijn hersencellen gekrompen.
Niemand zei iets of vroeg erop door. Toen vertelde Anne dat ze aan een nieuw boek was begonnen. “Prijs de Heer”, zei de Geweldige Gelovige. “Waar gaat het over?” vroeg ik.
“Ik ben een verhaal begonnen over een stel vrienden die los van elkaar dezelfde reis boeken. Ze weten wel van elkaar dat ze die reis hebben geboekt, maar niet samen. Hij zit voorin de bus, zij achterin. Hij gaat wel mee naar het museum, zij blijft achter in het hotel. Eigenlijk spreken ze elkaar niet, en toch zijn ze de hele reis met elkaar bezig. Hij heeft zijn gedachten, en zij heeft haar gedachten”
“Wauw, amazing! Dat boek moet ik hebben zodra het uit is”, zei de Geweldige Gelovige.
Ik kon niet ontkennen dat ik niet nieuwsgierig was. “En welke boodschap schuilt daar achter?” vroeg mijn buurman.
Anne knipoogde naar hem. “Nou ja, ik had er niet direct een boodschap zelf achter gevonden. Tot ik begon na te denken over onze reis als christenen die we maken met Jezus, onze beste Vriend. We boeken zo vaak Samen dezelfde reis en toch, we zoeken Hem amper op. Maar stiekem zijn we wel met Hem bezig”.
Mijn buurman knikte. “Dus dat is de diepere laag?” Anne lachte opnieuw. “Ja, ik geloof wel dat God dit zo op mijn hart heeft gelegd” antwoordde ze. “Iemand nog koffie?”
Ik lag in mijn bed en staarde naar het plafond. Het was een tweepersoons bed. En toch lag ik er alleen in. Onder de deur door zag ik een streepje grijs blauwe lichten. Ze leken mijn kamer binnen te schallen als nieuwe gedachten, om aan te vallen en te beuken. Om mijn hoofd aan het trillen te brengen. Thomas zat nog laat teevee te kijken. De 6000e aflevering van SpongeBob misschien. Hij had dezelfde lege blik in zijn ogen als toen ik hem achterliet.
Een reis, een reis Wij Samen. Dat was een totaal nieuwe gedachte maar toen Anne uitlegde waarom drong het door. Recht in mijn hart schoot God Zijn pijlen af. Recht in de roos. Ik was Zijn metgezel en toch voelde ik me verloren. Een single mee op een reis met stelletjes. De verkeerde trip, en ja, in het hotel achterblijven zonder hartjes en verliefde gezichten was een uitstekende optie. Het probleem was, Hij, Mijn Metgezel was wel razend verliefd. Zijn gedachten gingen voortdurend over mij, en dat stak me. Was dat wel de bedoeling? Of was het ook logisch als ik dan net zoveel over Hem dacht?
Maar stiekem zijn ze wel met Hem bezig ik fluisterde de woorden voor mijzelf in het donker. Het was een stukje toegeven en toch ook weer niet. Ergens wist Hij dat allang anders had Hij die reis ook niet geboekt, ook al leek Hij nog net zo ver weg.
“Mam?” Thomas riep me en dat betekende foute boel. Drank op? Sigaretten kwijt? Geld gestolen? Ik schommelde mijn benen het bed uit en reikte naar mijn sloffen onder het bed. Ik kwam mijn Bijbel tegen.
Het was een rot nacht geweest. Mijn hoofd zat vol met nieuwe gedachten, die rond bleven dwarrelen en nergens een plekje vonden. Thomas had drank gepakt, zonder dat hij wist hoe sterk alles was. In een opwelling had hij zijn zoveelste joint opgestoken en hoewel dat normaal gesproken ‘goed’ ging, ging het nu grandioos fout. Hij vloekte de hele nacht door en ik kreeg hem niet rustig in bed. Uiteindelijk is hij naar buiten gegaan en ik heb de seconden geteld tot hij weer thuis was en in zijn bed lag.
Ik verlangde diep hevig naar vrede, maar mijn baan riep aandacht en de auto moest worden verkocht aan een of andere klus nerd die me voor een paar tientjes blij kon maken. Toen ik twee dagen later in de supermarkt stond en een reis aanbieding zag werd het me allemaal even teveel. Ik bleef zaterdag ziek thuis in bed en ook zondag kwam ik voor de kerk mijn bed niet uit.
Ik miste de kerk niet. De Geweldige Gelovige zou beslist vooraan staan, zoals altijd. Handen omhoog en ogen irritant samengeknepen. In mijn ogen dan, heel erg irritant. Hij zou iets prevelen wat op de taal van de Geest leek, want dat doen alle Geweldige Gelovigen, en ‘amen’ zeggen, all the time.
Ik had het gevoel alsof ik sinds vrijdagavond kringavond de bus was ingestapt. De bus van Weet Ik Veel Waar Naar Toe en ik wist niet of ik er goed aan deed om met mijn neus tegen het glas aangedrukt vooraan te zitten. Ik kon het landschap aan me voorbij zien razen en er voor mijn gevoel niets van mee krijgen. Ik voelde van alles in mijn binnenste op borrelen. Vooral als ik na dacht over de kerk, mijn aandeel (of juist het gebrek eraan). Of geloven, dat was ook zoiets vaags geworden en aangezien ik nu op weg was naar weet ik veel waar werd het alleen maar lastiger. Lastiger in de zin van ‘belastend’.
Ik had al genoeg lasten.
Dat wist de Geweldige Gelovige ook. Of in zekere zin, ik had hem nooit iets mede gedeeld maar kennelijk kon je het van mijn voorhoofd aflezen. Hij speculeerde er op los. En suggereerde altijd negen van de tien keer nog raak ook.
Ik kwam hem maandag tegen bij de bloemist.
“Goedemorgen zuster, wat goed je weer te zien”.
Weet je, hij irriteerde me omdat hij altijd zo vriendelijk was. Ik probeerde ook vriendelijk te zijn maar als het niet lukte, dan lukte het niet. En hij deed altijd zo, zo … ZO nep! Of, of niet dan? Ik voelde me direct weer schuldig omdat ik zo verkeerd dacht. Ware gristenen deden dat niet, daarom was hij ook zo geweldig en ik niet.
Maar, kon ik mezelf wel christen noemen?
“Goedemorgen”, zei ik. Ik stond bij de gerbera’s en hij bij de tulpen. “Bloemetje voor jezelf aan het uitkiezen?” vroeg hij. Zelfs die vraag vond ik irritant. “Nee, voor de buurvrouw. Die is ziek”, loog ik. Het was enkel om mezelf te bewijzen. Te bewijzen dat ik ook die zorgzame christen was en niet alleen aan mijn eigen zegen dacht.
“Goed bezig zuster”, zei de Geweldige Gelovige. Hij rechtte zijn rug en knikte me vriendelijk toe. “Waar was je in de kerk zondag? We hebben je gemist. De Heer ook”.
De Heer? Ik miste de Heer vaker dan Hij mij, dacht ik voor mezelf. “Ziek” zei ik kortaf.
“Oh genezing Heer”, bad hij uit het niets hardop. Ik had er al spijt van dat ik niet door was gegaan met liegen. Vreselijk. Waarom moest de Geweldige Gelovige altijd eerst met een oplossing komen in plaats van een opmerking vol medeleven? Of was dit medeleven?
“Ik ben al weer beter hoor”, zei ik snel. Als ik nu niet heel snel die bos tulpen kocht zou ik de gerbera’s opeten. Ter plekke.
“Geweldig, wat is God toch goed! Wat een bemoediging zuster!”
Ik geloof dat ik een stukje miste. Maar het zou waarschijnlijk in de zondag als ‘getuigenis’ worden gedeeld en daarna zou iedereen me blij aan knikken en God loven omdat de Minder Gelovige was ‘gaan staan in genezing’. Al die voorbede had dus toch zin! Halleluja.
Amen.
Geloven was een ontzettend moeilijk iets. Je kunt niet van iemand gaan houden waarop je nooit verliefd bent geweest. Je kunt niet iemand in zekere zin gaan volgen zonder eerst kennis met diegene te hebben gemaakt. Ik vond God ver weg, en bij Jezus kreeg ik het beeld van de Geweldige Gelovige: voor een ieder vriendelijk en altijd de slimste van de klas. De Heilige Geest kende ik een klein beetje, ik kreeg soms een kippenvel-gevoel tijdens de aanbidding. Dan zong Anne en moest ik beetje huilen. En toch had ik sterk het idee dat we nu alle Drie in Dezelfde bus zaten. En dat die bus ongelooflijk hard reed, rondjes in mijn hart. En dat ik elk rondje iets meer van het landschap meekreeg. Dat er mensen buiten stonden te zwaaien en riepen dat ik bij hen moest komen eten, drinken en slapen. Maar de bus reed hard en mijn stoel zat best lekker, zo lang ik maar bleef zitten.
Ik rekende de tulpen af en groette de Geweldige Gelovige. Hij stond te aarzelen over de tulpen of gerbera’s en het zou me niets verbazen als hij zou gaan bidden voor een openbaring. Ik had al genoeg openbaring gezien, dus ik fietste naar huis waar ik Thomas aantrof in een laagje kots en een klein briefje.
Er stond op: sorry mama.
Het brak mijn hart en ik huilde lang en hard toen ik hem uit de smerigheid trok en op de bank legde met een dekentje. Hij viel in slaap alsof er niets aan de hand was.
donderdag 16 februari 2012
voor het liefste Plumaatje uit Nunspeet!
Je merkt dat het leven niet zo eenvoudig is, als dat je zou willen.
Het besef dat je het niet alleen kunt, komt dan ook hard binnen.
De enige optie is dan om alles bij God te brengen.
Om al je problemen en zorgen uit te spreken.
Hoeveel pijn dat ook kan doen en hoeveel kopzorgen je er ook over maakt.
Soms is dat moment er plotseling. Soms zie je het aankomen.
Maar altijd is het een periode waar je doorheen moet.
Een periode van loslaten, van keuzes maken en van vechten voor wie je wilt zijn.
Vechten om achter je te laten wat is geweest en met een frisse blik vooruit te leren kijken
dit las ik hier en het raakte me omdat ik het herken.
Lieve Marjolein! We vechten niet alleen!
Je kan het, want Hij is Overwinnaar!
Dikke knuffel vanuit Gouda <3 !! 8 Beter te schuilen bij de HEER
dan te vertrouwen op mensen.
13 Jullie sloegen mij en ik viel,
maar de HEER heeft geholpen.
14 De HEER is mijn sterkte, mijn lied,
Hij gaf mij de overwinning.
#psalm118
en om dan dit terug te krijgen... Zo blijven we janken! ;-)
Het besef dat je het niet alleen kunt, komt dan ook hard binnen.
De enige optie is dan om alles bij God te brengen.
Om al je problemen en zorgen uit te spreken.
Hoeveel pijn dat ook kan doen en hoeveel kopzorgen je er ook over maakt.
Soms is dat moment er plotseling. Soms zie je het aankomen.
Maar altijd is het een periode waar je doorheen moet.
Een periode van loslaten, van keuzes maken en van vechten voor wie je wilt zijn.
Vechten om achter je te laten wat is geweest en met een frisse blik vooruit te leren kijken
dit las ik hier en het raakte me omdat ik het herken.
Lieve Marjolein! We vechten niet alleen!
Je kan het, want Hij is Overwinnaar!
Dikke knuffel vanuit Gouda <3 !! 8 Beter te schuilen bij de HEER
dan te vertrouwen op mensen.
13 Jullie sloegen mij en ik viel,
maar de HEER heeft geholpen.
14 De HEER is mijn sterkte, mijn lied,
Hij gaf mij de overwinning.
#psalm118
Abonneren op:
Posts (Atom)