“Het geloven gaat je niet al te aardig af hè?” zei de Geweldige Gelovige op een dag tegen me. Ik boog mijn hoofd, voelde tranen prikken en staarde naar de punten van mijn schoenen. “Nee”, perste ik er met samengeknepen lippen uit. Nee, zei de Minder Gelovige.
“Je twijfelt nog steeds of niet?” ging de Geweldige Gelovige verder. Hij ging naast me zitten en legde een hand op mijn rug. Zijn hippe geblokte blouse was nieuw. Rook nieuw. De Geweldige Gelovige rook altijd nieuw. Althans, zo leek dat. Hij had een soort van lichtgevende uitstraling van een engel. Maar dan zonder de vleugels en de kring boven zijn hoofd. Hij maakte grapjes die iedereen grappig vond en wist over alles wel iets te vertellen. Sterker nog, vragen of twijfels: die hoorden niet bij de Geweldige Gelovige. Want hij was Geweldig.
“Ik twijfel over alles. Of God wel of niet bestaat. Of het Evangelie echt waar is. Of Hij me werkelijk hoort”. Ik kon niet voorkomen dat ik een beetje schril klonk. Ik piepte een soort van, het aanloopje naar een flinke huilbui. Maar ik moest me inhouden van mezelf. Want zijn blouse was nieuw en ik zou beslist kwijlen, en dat met mijn rode lippenstift op.
“Oh ja”. Hij knikte instemmend maar toch had ik niet het gevoel alsof hij me begreep. “Tsja.” Dat was een antwoord waar je net niet niks wat aan had. En dat was alles dan. Hij fronste zijn wenkbrauwen en er viel een lange stilte tussen ons. Ik verwachtte een antwoord maar het liefst rende ik hard weg. De Geweldige Gelovige stond bekend om zijn onderwijs, gaven en vruchten. Hij was vriendelijk, lachte altijd naar je en zelfs de oude omaatjes uit de gemeente vonden hem charmant.
“Ga je nog aanstaande vrijdag naar kring toe?” vroeg hij ineens uit het niets. Ik keek verward. “Ik heb het gevoel”, vervolgde hij, “dat het je heel erg goed zal doen”. Ik knikte aarzelend. “Misschien wel, ik denk wel dat ik kom”.
“Geweldig! God gaat zo door jou heen werken, het zal ongelooflijk worden!” Hij toverde zijn Prodent lach tevoorschijn. Ik slikte mijn tranen weg. Dat was een beetje hoop met de nadruk op een beetje. Ik voelde me miezerig, ondankbaar en klein tegelijk. “Ja?”
“Vast en zeker. Wauw.” Hij bleef me aan kijken.
“Oke”, zei ik. Misschien moest ik nu toch maar eens echt gaan geloven.
“Tof joh! Echt geweldig dat ik je vrijdag ga zien”, zei de Geweldige Gelovige. Hij pakte zijn Bijbel. Het had een bruin leren hoes, en de bladzijden roken net zo nieuw als zijn blouse. “Gods zegen zuster!!!”
O ja. Gods zegen. Ik had duizend vragen aan God maar de grootste vraag was de vraag waar die zegen zogenaamd was gebleven. Niet in mijn kapotte huwelijk, niet in mijn zoon Thomas die de hele dag door liep te blowen, niet in mijn baan die op de tocht stond, niet in mijn huis waar 100 klusjes te doen waren, niet in mijn ex die dagelijks mijn voicemail in sprak, niet in mijn auto die niet door de APK was gekomen de afgelopen maand en zelfs niet in mijn gemeente waar Geweldige Gelovige bestond.
Maar eerst vrijdag naar kring. Wie weet.
De Geweldige Gelovige haalde me op. “Ik kom er toch toevallig langs dus ik pik je zo op over 10 minuten”, stond er in de sms. Ik controleerde mijn kapsel en mijn make-up. Aangezien hij aan het andere eind van de stad woonde vond ik het vreemd dat hij ineens mij zou ophalen. En vervelend, dat vooral.
Thomas zat in de woonkamer en zapte teevee. “Er ligt chips voor je in de keuken”, zei ik maar de blik in zijn ogen gaven weinig teken van leven. Ik wist niet zeker of hij wel doorhad dat hij naar SpongeBob keek, en dat hij daar te oud voor was. Zeventien jaar, een fervent spijbelaar, blower en drinker. Ik was de grip verloren, en het begrip.
‘Ding dong’ zei de bel. Een beetje triestig, ze was half kapot en half gemaakt. Ik pakte mijn tas, stopte mijn Bijbel erin en mijn sleutels en liep naar de hal. Door het kijkgaatje kon ik zien dat het de Geweldige Gelovige was.
“Hoi”, zei ik toen ik de deur open deed. Ik stond direct naast hem buiten en klapte de deur dicht. “We kunnen gaan”.
“Geweldig. Wat goed om je te zien zuster”, zei hij. Zijn kraag stond rechtop en ik zag zijn geblokte blouse een stukje tevoorschijn komen. Zijn luxe auto stond naast de mijne, een iets minder luxe en best wel lelijke auto, geparkeerd. Ik voelde me een ander stuk mens toen ik naast hem liep. Hij in zijn dure jas met zijn glanzende Bijbel, ik op mijn afgetrapte schoenen, met een maaltijd achter mijn kiezen van de voedselbank.
Op kring was er minder verschil zichtbaar. Anne was de gastvrouw van de avond. Ze stelde haar huis ter beschikking. Een bescheiden flatje aan de rand van de stad. “Hoi allemaal”, opende ze de avond terwijl ze eerst langs ging met koffie en cake. Het was mijn toetje want die had ik vandaag niet op. De Geweldige Gelovige stelde voor om met zijn allen te gaan staan. Ik had de cake nog nauwelijks op maar toch deed ik mee. “Pak elkaars handen beet en laten we God zoeken”. Hij zuchtte er een soort van bij en herhaalde dit meerdere malen.
Na vijf minuten nam iemand uit de kring het woord. Oh Heer begon hij maar het klonk niet zo klagerig en twijfelachtig als dat ik altijd begon. Hij bad over de avond een zegen uit, sprak zijn medeleven uit naar diegenen die niet konden komen en toen hij amen zei deed iedereen zijn ogen weer open, dronken we onze koffie op en startte Anne de avond. Het was een Bijbelstudie over Jona, en de vraag die centraal stond was of we ook bereid waren om onze hoogmoed voor God op te geven en onze beter-weten plannen. Ik hield me afzijdig en stil totdat de Geweldige Gelovige zich voorover boog naar mij toe.
“Wat vind jij hier allemaal van?” Hij klonk niet belangstellend maar trok de aandacht van Anne en diegenen die naast mij zaten, in een straal van 3 meter.
“Ik weet het niet”, zei ik eerlijk. Ik voelde me een sukkel. Iemand die zelfs te dom hiervoor was. Ik voelde me een loser, ik had heus wel geluisterd maar toch, misschien had Thomas iets teveel geblowd in huis en waren nu ook mijn hersencellen gekrompen.
Niemand zei iets of vroeg erop door. Toen vertelde Anne dat ze aan een nieuw boek was begonnen. “Prijs de Heer”, zei de Geweldige Gelovige. “Waar gaat het over?” vroeg ik.
“Ik ben een verhaal begonnen over een stel vrienden die los van elkaar dezelfde reis boeken. Ze weten wel van elkaar dat ze die reis hebben geboekt, maar niet samen. Hij zit voorin de bus, zij achterin. Hij gaat wel mee naar het museum, zij blijft achter in het hotel. Eigenlijk spreken ze elkaar niet, en toch zijn ze de hele reis met elkaar bezig. Hij heeft zijn gedachten, en zij heeft haar gedachten”
“Wauw, amazing! Dat boek moet ik hebben zodra het uit is”, zei de Geweldige Gelovige.
Ik kon niet ontkennen dat ik niet nieuwsgierig was. “En welke boodschap schuilt daar achter?” vroeg mijn buurman.
Anne knipoogde naar hem. “Nou ja, ik had er niet direct een boodschap zelf achter gevonden. Tot ik begon na te denken over onze reis als christenen die we maken met Jezus, onze beste Vriend. We boeken zo vaak Samen dezelfde reis en toch, we zoeken Hem amper op. Maar stiekem zijn we wel met Hem bezig”.
Mijn buurman knikte. “Dus dat is de diepere laag?” Anne lachte opnieuw. “Ja, ik geloof wel dat God dit zo op mijn hart heeft gelegd” antwoordde ze. “Iemand nog koffie?”
Ik lag in mijn bed en staarde naar het plafond. Het was een tweepersoons bed. En toch lag ik er alleen in. Onder de deur door zag ik een streepje grijs blauwe lichten. Ze leken mijn kamer binnen te schallen als nieuwe gedachten, om aan te vallen en te beuken. Om mijn hoofd aan het trillen te brengen. Thomas zat nog laat teevee te kijken. De 6000e aflevering van SpongeBob misschien. Hij had dezelfde lege blik in zijn ogen als toen ik hem achterliet.
Een reis, een reis Wij Samen. Dat was een totaal nieuwe gedachte maar toen Anne uitlegde waarom drong het door. Recht in mijn hart schoot God Zijn pijlen af. Recht in de roos. Ik was Zijn metgezel en toch voelde ik me verloren. Een single mee op een reis met stelletjes. De verkeerde trip, en ja, in het hotel achterblijven zonder hartjes en verliefde gezichten was een uitstekende optie. Het probleem was, Hij, Mijn Metgezel was wel razend verliefd. Zijn gedachten gingen voortdurend over mij, en dat stak me. Was dat wel de bedoeling? Of was het ook logisch als ik dan net zoveel over Hem dacht?
Maar stiekem zijn ze wel met Hem bezig ik fluisterde de woorden voor mijzelf in het donker. Het was een stukje toegeven en toch ook weer niet. Ergens wist Hij dat allang anders had Hij die reis ook niet geboekt, ook al leek Hij nog net zo ver weg.
“Mam?” Thomas riep me en dat betekende foute boel. Drank op? Sigaretten kwijt? Geld gestolen? Ik schommelde mijn benen het bed uit en reikte naar mijn sloffen onder het bed. Ik kwam mijn Bijbel tegen.
Het was een rot nacht geweest. Mijn hoofd zat vol met nieuwe gedachten, die rond bleven dwarrelen en nergens een plekje vonden. Thomas had drank gepakt, zonder dat hij wist hoe sterk alles was. In een opwelling had hij zijn zoveelste joint opgestoken en hoewel dat normaal gesproken ‘goed’ ging, ging het nu grandioos fout. Hij vloekte de hele nacht door en ik kreeg hem niet rustig in bed. Uiteindelijk is hij naar buiten gegaan en ik heb de seconden geteld tot hij weer thuis was en in zijn bed lag.
Ik verlangde diep hevig naar vrede, maar mijn baan riep aandacht en de auto moest worden verkocht aan een of andere klus nerd die me voor een paar tientjes blij kon maken. Toen ik twee dagen later in de supermarkt stond en een reis aanbieding zag werd het me allemaal even teveel. Ik bleef zaterdag ziek thuis in bed en ook zondag kwam ik voor de kerk mijn bed niet uit.
Ik miste de kerk niet. De Geweldige Gelovige zou beslist vooraan staan, zoals altijd. Handen omhoog en ogen irritant samengeknepen. In mijn ogen dan, heel erg irritant. Hij zou iets prevelen wat op de taal van de Geest leek, want dat doen alle Geweldige Gelovigen, en ‘amen’ zeggen, all the time.
Ik had het gevoel alsof ik sinds vrijdagavond kringavond de bus was ingestapt. De bus van Weet Ik Veel Waar Naar Toe en ik wist niet of ik er goed aan deed om met mijn neus tegen het glas aangedrukt vooraan te zitten. Ik kon het landschap aan me voorbij zien razen en er voor mijn gevoel niets van mee krijgen. Ik voelde van alles in mijn binnenste op borrelen. Vooral als ik na dacht over de kerk, mijn aandeel (of juist het gebrek eraan). Of geloven, dat was ook zoiets vaags geworden en aangezien ik nu op weg was naar weet ik veel waar werd het alleen maar lastiger. Lastiger in de zin van ‘belastend’.
Ik had al genoeg lasten.
Dat wist de Geweldige Gelovige ook. Of in zekere zin, ik had hem nooit iets mede gedeeld maar kennelijk kon je het van mijn voorhoofd aflezen. Hij speculeerde er op los. En suggereerde altijd negen van de tien keer nog raak ook.
Ik kwam hem maandag tegen bij de bloemist.
“Goedemorgen zuster, wat goed je weer te zien”.
Weet je, hij irriteerde me omdat hij altijd zo vriendelijk was. Ik probeerde ook vriendelijk te zijn maar als het niet lukte, dan lukte het niet. En hij deed altijd zo, zo … ZO nep! Of, of niet dan? Ik voelde me direct weer schuldig omdat ik zo verkeerd dacht. Ware gristenen deden dat niet, daarom was hij ook zo geweldig en ik niet.
Maar, kon ik mezelf wel christen noemen?
“Goedemorgen”, zei ik. Ik stond bij de gerbera’s en hij bij de tulpen. “Bloemetje voor jezelf aan het uitkiezen?” vroeg hij. Zelfs die vraag vond ik irritant. “Nee, voor de buurvrouw. Die is ziek”, loog ik. Het was enkel om mezelf te bewijzen. Te bewijzen dat ik ook die zorgzame christen was en niet alleen aan mijn eigen zegen dacht.
“Goed bezig zuster”, zei de Geweldige Gelovige. Hij rechtte zijn rug en knikte me vriendelijk toe. “Waar was je in de kerk zondag? We hebben je gemist. De Heer ook”.
De Heer? Ik miste de Heer vaker dan Hij mij, dacht ik voor mezelf. “Ziek” zei ik kortaf.
“Oh genezing Heer”, bad hij uit het niets hardop. Ik had er al spijt van dat ik niet door was gegaan met liegen. Vreselijk. Waarom moest de Geweldige Gelovige altijd eerst met een oplossing komen in plaats van een opmerking vol medeleven? Of was dit medeleven?
“Ik ben al weer beter hoor”, zei ik snel. Als ik nu niet heel snel die bos tulpen kocht zou ik de gerbera’s opeten. Ter plekke.
“Geweldig, wat is God toch goed! Wat een bemoediging zuster!”
Ik geloof dat ik een stukje miste. Maar het zou waarschijnlijk in de zondag als ‘getuigenis’ worden gedeeld en daarna zou iedereen me blij aan knikken en God loven omdat de Minder Gelovige was ‘gaan staan in genezing’. Al die voorbede had dus toch zin! Halleluja.
Amen.
Geloven was een ontzettend moeilijk iets. Je kunt niet van iemand gaan houden waarop je nooit verliefd bent geweest. Je kunt niet iemand in zekere zin gaan volgen zonder eerst kennis met diegene te hebben gemaakt. Ik vond God ver weg, en bij Jezus kreeg ik het beeld van de Geweldige Gelovige: voor een ieder vriendelijk en altijd de slimste van de klas. De Heilige Geest kende ik een klein beetje, ik kreeg soms een kippenvel-gevoel tijdens de aanbidding. Dan zong Anne en moest ik beetje huilen. En toch had ik sterk het idee dat we nu alle Drie in Dezelfde bus zaten. En dat die bus ongelooflijk hard reed, rondjes in mijn hart. En dat ik elk rondje iets meer van het landschap meekreeg. Dat er mensen buiten stonden te zwaaien en riepen dat ik bij hen moest komen eten, drinken en slapen. Maar de bus reed hard en mijn stoel zat best lekker, zo lang ik maar bleef zitten.
Ik rekende de tulpen af en groette de Geweldige Gelovige. Hij stond te aarzelen over de tulpen of gerbera’s en het zou me niets verbazen als hij zou gaan bidden voor een openbaring. Ik had al genoeg openbaring gezien, dus ik fietste naar huis waar ik Thomas aantrof in een laagje kots en een klein briefje.
Er stond op: sorry mama.
Het brak mijn hart en ik huilde lang en hard toen ik hem uit de smerigheid trok en op de bank legde met een dekentje. Hij viel in slaap alsof er niets aan de hand was.
Bijzonder verhaal!
BeantwoordenVerwijderen