Ik ga naast een van de dames zitten. Ik schreeuw wat liefkozend in haar oor om contact te maken. We praten, ik probeer haar te verstaan. Het gaat moeilijk. Maar wat wel gaat, zijn haar handen. Haar handen krullen zich langzaam en stevig om mijn hand en arm heen. Als ze er in kon kruipen deed ze het. Maar het kon niet. Maar ze kroop naar binnen in mijn hart. Samen zaten we daar even. Ik keek naar haar, zij staarde wat. Maar zeker niet naar mij.
Ik kijk naar handen, haar handen die al zo veel hebben meegemaakt, haar aderen waar al zoveel bloed doorheen heeft gestroomd.Haar aderen die dik boven haar handen uitkomen, haar oudheid die er dik bovenop ligt.
Ze zegt: “Ik hoef niets te drinken hoor, ik heb geen dorst” Ik denk: “ik bood niets aan hoor” en zeg: “u hoeft niets te drinken hoor, als u niet wilt”.
Dan moet ik weg. Ik moet haar handen loslaten. Haar handen die zo vast om mij heen zitten. Ik zeg tegen haar: “Ik moet weer verder” ze hoort me. Maar ze begrijpt niet dat ze nog aan mij vast zit. Ik zeg nog een keer: “Ik moet weg, maar ik wil graag mijn handen terug” Ze kijkt naar haar handen in haar schoot en kijkt me aan en moet om zichzelf lachen. Ik denk dat ze even vergeten was dat ze me vast had.
Totaal aantal pageviews
donderdag 19 juli 2012
woensdag 18 juli 2012
de mooiste luchten straalden vanochtend boven mijn hoofd toen ik naar het werk fietste. de wind waaide in mijn gezicht, het tarwe bewoog alsof het de zee was met kabbelende golfjes. ik vraag me af waarom andere mensen dat niet zien, niet ook met hun hoofd zo hoog dat ze de straat niet zien -zoals ik- de wolken bewonderen. jammer. Ze missen zoveel..
maandag 16 juli 2012
Hij keek me aandachtig aan en nam zijn bril van zijn hoofd. Nadenkend kamde hij zijn grijze haren achter zijn linkeroor met de -eveneens linker- poot van zijn bril. Toen hij naar het scheen tevreden was met het resultaat, liet hij de bril met zijn hand langs zijn lichaam bungelen.
Ik vroeg me af wat hij op mijn woorden zou zeggen. Zijn koele grijze ogen die als brandpunten in zijn gegroefde huid lagen bestudeerden mijn gezicht nauwlettend. Ik stelde me voor hoe er in zijn hoofd talloze gedachten en herinneringen cirkelden. Alsof de gehele inhoud van zijn hoofd een spinnenweb was, waarop de spin rustig afwachtte totdat zijn omgeving werd getroffen door een vlieg, door een gebeurtenis. Als het moment daar was, zou hij zich naar zijn prooi begeven om deze vervolgens in te kapselen met een zijden draad. Een zijden draad, gesponnen uit zijn eigen lijf en van dezelfde stof als zijn web vol eerder ingekapselde gebeurtenissen.
Alles wat er om hem heen gebeurde, zag hij in het licht van zijn eigen ervaringen, van zijn eigen herinneringen, van zijn eigen gedachten. In het licht van het geheel aan voorvallen die in zijn reeds lange leven hadden plaatsgevonden. Nog nooit was het hem gelukt voorvallen niet op deze manier te benaderen. Hij kon simpelweg niet anders. Dit was wie hij was, dit was hoe hij omging met de wereld en anders kon hij niet.
Ik vroeg me af wat hij op mijn woorden zou zeggen. Zijn koele grijze ogen die als brandpunten in zijn gegroefde huid lagen bestudeerden mijn gezicht nauwlettend. Ik stelde me voor hoe er in zijn hoofd talloze gedachten en herinneringen cirkelden. Alsof de gehele inhoud van zijn hoofd een spinnenweb was, waarop de spin rustig afwachtte totdat zijn omgeving werd getroffen door een vlieg, door een gebeurtenis. Als het moment daar was, zou hij zich naar zijn prooi begeven om deze vervolgens in te kapselen met een zijden draad. Een zijden draad, gesponnen uit zijn eigen lijf en van dezelfde stof als zijn web vol eerder ingekapselde gebeurtenissen.
Alles wat er om hem heen gebeurde, zag hij in het licht van zijn eigen ervaringen, van zijn eigen herinneringen, van zijn eigen gedachten. In het licht van het geheel aan voorvallen die in zijn reeds lange leven hadden plaatsgevonden. Nog nooit was het hem gelukt voorvallen niet op deze manier te benaderen. Hij kon simpelweg niet anders. Dit was wie hij was, dit was hoe hij omging met de wereld en anders kon hij niet.
zaterdag 14 juli 2012
'En ik bedacht me hoe gelukkig ik eigenlijk ben'
Hij was alleen. Met zijn achterkleindochter, dat wel. Hij moest even oppassen terwijl de moeder naar de supermarkt was, daarom was hij met haar alleen. Maar ze huilde. Hij wist daar geen raad mee. Zusters zijn van alle markten thuis. De kleine meid kwam bij me op schoot zitten. We deden kiekeboe. Niet echt het werk wat een zuster in een bejaardentehuis moet doen, maar wel leuk.
'Moet je vanavond nog naar de disco?' Ik schudde mijn hoofd. Wat moest ik daar zoeken? Je kan elkaar niet eens verstaan. Denk ik.
'Maar je hebt toch verkering?' Mijn chagrijnigheid maakte een beetje plaats voor een kleine glimlach. Ik knikte van ja, en vroeg me af hoe hij dat wist.
'Komt je liefje je zo ophalen?' Hij keek op zijn horloge en mompelde dat ik nog 10 minuten moest werken. Nee, geen taxi van de liefste van de hele wereld. Dat niet. Ik had mijn eigen vervoer. Maar dat woord 'liefje'. Daar had hij dan weer wel gelijk in.
'Ga je grassen vanavond?' Ik vroeg hem wat dat was. Tja, ik was van nu, 19 nog maar, hij bijna 91, dus wist ik daar niets van. Gewoon, op het gras zitten. Oude jas mee, of picknickkleed.
Ik moest lachen. 'Met dit weer ook?' En hij vertelde over zijn vrouw. Hoe hun verkeringstijd was. Ik herkende het. De vlinders in je buik, de zon die zelfs schijnt als het regent. Dat je soms moet huilen van geluk. Of omdat je hem zo mist.
'Nou zuster, nu weet ik het nog niet, ga je grassen vanavond of heb je dat nog nooit gedaan?'
'U bent wel erg nieuwsgierig hoor..' En ik dacht aan die dag dat we, zelfs al was de lucht stralend blauw, in de wolken waren.
'Ik zie het wel aan je, je bent gewoon te verliefd om te praten. Leuk is dat. Kom je morgen weer?' Ik knikte, gaf de kleine meid wat drinken en ik bedacht me hoe gelukkig ik eigenlijk ben.
'Moet je vanavond nog naar de disco?' Ik schudde mijn hoofd. Wat moest ik daar zoeken? Je kan elkaar niet eens verstaan. Denk ik.
'Maar je hebt toch verkering?' Mijn chagrijnigheid maakte een beetje plaats voor een kleine glimlach. Ik knikte van ja, en vroeg me af hoe hij dat wist.
'Komt je liefje je zo ophalen?' Hij keek op zijn horloge en mompelde dat ik nog 10 minuten moest werken. Nee, geen taxi van de liefste van de hele wereld. Dat niet. Ik had mijn eigen vervoer. Maar dat woord 'liefje'. Daar had hij dan weer wel gelijk in.
'Ga je grassen vanavond?' Ik vroeg hem wat dat was. Tja, ik was van nu, 19 nog maar, hij bijna 91, dus wist ik daar niets van. Gewoon, op het gras zitten. Oude jas mee, of picknickkleed.
Ik moest lachen. 'Met dit weer ook?' En hij vertelde over zijn vrouw. Hoe hun verkeringstijd was. Ik herkende het. De vlinders in je buik, de zon die zelfs schijnt als het regent. Dat je soms moet huilen van geluk. Of omdat je hem zo mist.
'Nou zuster, nu weet ik het nog niet, ga je grassen vanavond of heb je dat nog nooit gedaan?'
'U bent wel erg nieuwsgierig hoor..' En ik dacht aan die dag dat we, zelfs al was de lucht stralend blauw, in de wolken waren.
'Ik zie het wel aan je, je bent gewoon te verliefd om te praten. Leuk is dat. Kom je morgen weer?' Ik knikte, gaf de kleine meid wat drinken en ik bedacht me hoe gelukkig ik eigenlijk ben.
Abonneren op:
Posts (Atom)