Ik ga naast een van de dames zitten. Ik schreeuw wat liefkozend in haar oor om contact te maken. We praten, ik probeer haar te verstaan. Het gaat moeilijk. Maar wat wel gaat, zijn haar handen. Haar handen krullen zich langzaam en stevig om mijn hand en arm heen. Als ze er in kon kruipen deed ze het. Maar het kon niet. Maar ze kroop naar binnen in mijn hart. Samen zaten we daar even. Ik keek naar haar, zij staarde wat. Maar zeker niet naar mij.
Ik kijk naar handen, haar handen die al zo veel hebben meegemaakt, haar aderen waar al zoveel bloed doorheen heeft gestroomd.Haar aderen die dik boven haar handen uitkomen, haar oudheid die er dik bovenop ligt.
Ze zegt: “Ik hoef niets te drinken hoor, ik heb geen dorst” Ik denk: “ik bood niets aan hoor” en zeg: “u hoeft niets te drinken hoor, als u niet wilt”.
Dan moet ik weg. Ik moet haar handen loslaten. Haar handen die zo vast om mij heen zitten. Ik zeg tegen haar: “Ik moet weer verder” ze hoort me. Maar ze begrijpt niet dat ze nog aan mij vast zit. Ik zeg nog een keer: “Ik moet weg, maar ik wil graag mijn handen terug” Ze kijkt naar haar handen in haar schoot en kijkt me aan en moet om zichzelf lachen. Ik denk dat ze even vergeten was dat ze me vast had.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten