In een land hier ver vandaan, waar de bergen glinsteren in Gods ogen en de schaduw meegedragen wordt op de handen van de engelen. In dat land, waar beekjes klateren over Gods liefde en de bomen Zijn naam fluisteren, zwierf een geheim. Vergeten dat zij ooit geweest was, zwierf zij rond. Takken prikten in haar voeten, ze bloedde – maar voelde niets. Haar adem verspreidde zich door de koude lucht en lieten kleine kristallen achter op de bladeren die zij raakte. Ze stond niet stil, haar voeten stapten haastig voort. Haar benen waren bedekt met modder, bladeren en kleine takjes. Ze veegde ze niet af, haar handen had ze voor zich uit gestrekt. Kleine druppels dauw hingen aan haar vingertoppen, ze waren vermengd met het grond van de aarde. Wanhopig zocht ze haar weg. Haar jurk was vermengd met de kleuren van de paden waarop zij liep. Het donker van het bos op haar benen, het groen van de wijde lag op haar jurk, en de kleur van de hemel scheen in haar ogen. Haar gezicht was gehavend; niemand wilde haar laten zien, maar iedereen wilde haar bekijken.
Ze was een geheim, giftig voor hen die haar aanraakte.
Haar geboortedag, vervloekt door haar vader en moeder. Zij had er niet mogen zijn, ze had nooit adem mogen halen en haar ogen verwonderd mogen opslaan naar de wereld. Haar ouders besloten haar nooit kennis te laten maken met de wereld. Ze stopten haar weg, legden haar onder hun bed waar ze haar probeerden te vergeten. Maar geheimen zoals zij, worden niet vergeten.
Stiekem, toen haar moeder niet keek, kroop ze onder het bed vandaan en rende de wereld in. Haar vader zag haar gaan en fluisterde: ‘Ga niet ver.’
Wanhopig als haar ogen stonden liepen haar voeten en voelden haar vingers aan de nieuwe grote wereld. Haar hart schreeuwde om de dood, maar haar ouders lieten haar leven. Ze klopten op de deuren van huizen waar licht naar buiten stroomde, maar niemand wilde open doen. Niemand gaf haar een deken en verloste haar. Zij was een vergissing, een keuze die niet gemaakt had mogen worden. Wanneer de wereld haar oren open deed en haar vonden op de deur posten, spogen ze op haar en brachten haar naar het eerste beste huis dat zij vinden konden. Bij elke nieuwe kennismaking vervloog de hoop dat zij ooit haar rust zou vinden. Ruw werd ze in de kast geduwd, naast de andere stilzwijgenden. Niemand gaf haar te eten, maar zij schreeuwde totdat haar adem stokte. Wanhopig als zij was, ze was vastberaden om haar hoofd ten ruste te leggen. Haar vuisten sloegen tegen de deuren, totdat zij braken en haar handen de deurklink probeerden vast te pakken. Dan was het genoeg voor de wereld, en werd ze doorgestuurd naar een nieuw onderkomen, waar zij opnieuw werd opgesloten. Ze huilde zichzelf inslaap wiegend op de wetenschap dat ze ooit op Gods schoot zou mogen liggen.
Op een dag – toen God Zijn toestemming gaf – sloeg zij weer tegen de deur en de deur werd geopend.
Ze rende naar buiten, schichtig om haar heen kijkend. Ze hield armen voor zich uit, opzoek naar de dood. Takken prikten in haar voeten, ze bloedde – maar voelde niets. Kleinen druppels dauw hingen aan haar vingertoppen terwijl zij wanhopig haar weg vervolgde. Waar moest zij heen, wat moest zij vertellen? De wind liet haar sneller lopen, takken zweepten haar op. Sneller moesten haar voeten rennen, sneller - sneller.
Ze hield haar oren stijf dicht, niets wilde zij horen. Ze hield haar adem in haar longen, bang dat zij zou struikelen. Het bos laat zijn schaduw over haar vallen, de weide beschut haar niet.
Als dan. .
Ze struikelt en valt op de harde stenen. Haar knieen zijn geschaaft en haar armen doen pijn. Ze heft haar hoofd en haar hart springt op. Daar in de verte, bij het rood van de ochtendzon, ziet zij een huis en de deuren zijn geopend. De ramen glinsteren en ze ruikt de geur van versgebakken brood. Stilletjes laat ze haar voeten voorgaan, haar handen tintelen. In de deurpost kijkt ze voorzichtig om het hoekje. Rozen bloeien op de donkere eettafel. Een vuur brand in de openhaard.
Vermoeid van haar reis laat ze zich vallen in een stoel die dicht bij de haard staat. Ze sluit haar ogen en geniet van het knapperen van het vuur. Ze dommelt weg, maar haar hart blijft razendsnel kloppen. Haar vingers trillen in haar schoot en vangen de druppels van haar wensen op.
Een hand wordt op haar schouders gelegd, haar adem ontsnapt aan haar longen. Ze zucht en sluit haar ogen. De hand streelt over haar wangen en haalt haar vochtige haar uit haar gezicht. Het vuur wordt opgestookt en een bed wordt opgemaakt. De hand neemt haar handen en brengen haar naar de bedrand. Ze hoort het knisperen van de dekens en voelt het zacht van de kussen als zij haar hoofd neerlegt.
Liefelijk wordt ze toegestopt, de warmte verspreid zich over haar lichaam. Ze ademt diep, terwijl haar hart stopt met kloppen. Haar vingers trillen niet meer, haar ogen zijn gestopt met huilen. Haar voeten zijn ontspannen, haar stem is gestopt met schreeuwen.
In een land hier heel dichtbij, waar de bergen glinsteren in Gods ogen en de schaduw meegedragen wordt op de handen van de engelen. In dat land, waar beekjes klateren over Gods liefde en de bomen Zijn naam fluisteren, zwierf een geheim..
En zij vond verlossing.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten